Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-5698 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Arbeidskundige beoordeling juist? Uurloonvergelijking?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5698 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2005, 04/6006 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G. Burgers, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Beide partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is uitgevallen van haar werk als schoonmaakster met psychische en lichamelijke klachten.

Bij besluit van 5 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 4 november 2003, waarin aan appellante met ingang van 13 augustus 2003 een uitkering ingevolge van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De rechtbank heeft zich met de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen, maar heeft dat besluit vernietigd om reden dat eerst in de fase van het beroep een toereikende motivering is gegeven van de passendheid van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat haar medische beperkingen, met name de psychische, zijn onderschat en dat zij niet in staat is om te werken.

De Raad kan de rechtbank volgen in haar overwegingen dat de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat ten aanzien van appellante een juist medisch oordeel met betrekking tot haar beperkingen en mogelijkheden tot het verrichten van arbeid is aangenomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat van de zijde van appellante - ook in hoger beroep - geen medische stukken in het geding zijn gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting is van de zijde van appellante in de eerste plaats de grief aangevoerd, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (onder meer LJN AR4717), dat zij tot ver in de beroepsprocedure heeft moeten wachten, namelijk tot het verweerschrift van

15 april 2005, op een deugdelijke en toetsbare motivering van de zijde van het Uwv van de geschiktheid van de aan haar voorgehouden functies. De vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank vanwege een motiveringsgebrek, waarbij de rechtsgevolgen van dat besluit door de rechtbank in stand zijn gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), doet in de visie van appellante aan deze situatie geen recht.

Ten aanzien van dit punt merkt de Raad op dat de door de rechtbank op dit punt gevolgde benadering volledig in overeenstemming is met hetgeen de Raad in vorenbedoelde uitspraken ter zake heeft overwogen en geoordeeld.

Als tweede arbeidskundige grief is van de zijde van appellante naar voren gebracht dat in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellante ten onrechte uitgegaan is van een uurloonvergelijking, terwijl uit de stukken blijkt dat appellante een werkweek van 51,75 uur had. In dit verband is door appellante in het bijzonder verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN: AZ9652.

Naar de mening van appellante heeft de inhoud van bovengenoemde uitspraak als consequentie dat de aangevallen uitspraak en ook het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven, aangezien aan de schatting van de mate van haar arbeidsongeschiktheid geen juiste berekening ten grondslag ligt nu voorbijgegaan is aan haar feitelijke inkomensschade.

Ten aanzien van deze grief van appellante overweegt de Raad in de eerste plaats dat het beroep op evenvermelde uitspraak van de Raad reeds faalt aangezien de uitspraak betrekking heeft op het in het onderhavige geval niet van toepassing zijnde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van 18 augustus 2004. Voorts wijst de Raad erop dat de berekening van appellantes arbeidsongeschiktheidspercentage heeft plaatsgevonden conform de systematiek als neergelegd in het Besluit uurloonschatting 1999. De arbeidsdeskundige heeft de kleinere arbeidsomvang van de aan appellante voorgehouden functies ten opzichte van de arbeidsomvang van de maatgevende functie gecompenseerd door toepassing van de zogeheten reductiefactor. De Raad heeft reeds eerder geoordeeld dat deze systematiek een reƫel beeld oplevert van de resterende verdiencapaciteit en recht doet aan de omvang van de maatmanfunctie (LJN AF1604).

Het vorengemelde leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL