Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05/4791 WSF, 07/404 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering. Terugvordering en vordering uit ontstane OV-schuld. Beleid. Onjuist verwerkte gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4791 WSF en 07/404 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 juli 2005, 04/1217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellante

Datum uitspraak: 4 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Zij heeft verzocht de aangevallen uitspraak alsmede haar besluit van 22 september 2005, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, te vernietigen.

Betrokkene heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007.

Appellante was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema en betrokkene door zijn vader [naam vader].

II. OVERWEGINGEN

Aan betrokkene is door appellante per 1 januari 2004 studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs en een OV-kaart toegekend.

Bij bericht Studiefinanciering 2004, nummer 2, d.d. 28 mei 2004, heeft appellante met toepassing van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) het recht herzien en vastgesteld dat betrokkene per 1 januari 2004 geen recht heeft op studiefinanciering. Voorts heeft appellante hetgeen ten onrechte is uitbetaald alsmede de ontstane OV-schuld van betrokkene (terug)gevorderd.

Het door betrokkene tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft appellante bij besluit van 2 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellante bevoegd was tot herziening van de aan betrokkene verstrekte studiefinanciering over te gaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante door de studiefinanciering over de gehele periode te herzien, terwijl zij zelf een aandeel had in de onterechte toekenning, niet in redelijkheid gebruik gemaakt van deze bevoegdheid.

De rechtbank heeft dan ook – voor zover in dit kader van belang – het besluit van

2 augustus 2004 vernietigd.

Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat zij door de studiefinanciering over de gehele periode te herzien niet in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt bestreden.

Het hoger beroep van appellante treft doel.

Tussen partijen is niet in geschil dat aan betrokkene – als gevolg van door appellante onjuist verwerkte gegevens – ten onrechte studiefinanciering is verstrekt. Evenmin is in geschil het bedrag dat hiermee is gemoeid. Voorts zijn partijen het erover eens dat appellante een bevoegdheid tot herziening heeft. Aan de orde is slechts de wijze waarop appellante van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Appellante voert bij de uitoefening van de bevoegdheid tot herziening ex artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 een beleid dat in de situatie dat te veel studiefinanciering is toegekend steeds volledig wordt herzien, ook indien de herziening het gevolg is van een door haar gemaakte fout. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt in die gevallen dat appellante meerdere malen een fout heeft gemaakt bij de verwerking van dezelfde gegevens en de studerende bovendien redelijkerwijs niet kon weten dat sprake is van een onjuist besluit.

De Raad is onder andere in zijn – van de na de aangevallen uitspraak daterende – uitspraak van 21 juli 2006, LJN: AY5167, tot het oordeel gekomen dat dit beleid, nu de wetgever met artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 heeft beoogd dat ook in het geval ten onrechte studiefinanciering is toegekend als gevolg van door appellante onjuist verwerkte gegevens met terugwerkende kracht tot volledige herziening wordt overgaan, niet kennelijk onredelijk is.

Niet in geschil is dat het besluit van 2 augustus 2004 in overeenstemming met dit beleid is. Van een situatie waarin een uitzondering wordt gemaakt is geen sprake.

Evenmin is de Raad kunnen blijken van bijzondere omstandigheden die appellante zouden nopen van haar beleid af te wijken. Als bijzondere omstandigheid geldt niet dat appellante een fout heeft gemaakt. In het niet kennelijk onredelijk geachte beleid is dit nu immers juist niet als voldoende reden opgenomen om niet tot volledige herziening over te gaan.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak ontvalt de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven besluit van 22 september 2005. Daarom dient ook dat besluit te worden vernietigd.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit van 22 september 2005;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MH