Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5113

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-96 WAO + 06-6858 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit herzien naar klasse 15-25%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/96 WAO + 06/6858 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 december 2004, 03/2441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft hierop bij brief van 6 april 2005 gereageerd.

Bij brief van 9 november 2006 heeft het Uwv een besluit van gelijke datum ingezonden.

Appellante heeft bij brief van 11 november 2006 hierop gereageerd.

Op 29 november 2006 is bij de Raad een rapport van 6 november 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige W.W.M. Strijbos ingekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat met vermelding van het volgende.

Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 9 oktober 2003 (besluit I) heeft het Uwv het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) genomen besluit van 25 maart 2003 in zoverre gehandhaafd dat de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellante verleende uitkering niet per 13 mei 2003, maar per 26 mei 2003 is ingetrokken.

Bij het in rubriek 1 van deze uitspraak vermelde besluit van 9 november 2006 (hierna: besluit II) heeft het Uwv in feite besluit I ingetrokken. Besluit II houdt in dat het bezwaar van appellante gegrond wordt verklaard en dat haar WAO-uitkering met ingang van

26 mei 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Gelet op hetgeen van de zijde van appellante aan grieven tegen de aangevallen uitspraak naar voren is gebracht en de inhoud van haar brief van 11 november 2006, gaat de Raad er vanuit dat met besluit II niet volledig aan het beroep van appellant tegen besluit I is tegemoet gekomen. Om deze reden wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit II.

Uit het vorenoverwogene volgt in het licht van de vaste jurisprudentie van de Raad ter zake dat ook in het onderhavige geval het belang van appellante bij een beoordeling van de rechtmatigheid van besluit I in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt bijvoorbeeld omdat verzocht is om toekenning van schadevergoeding. Nu daarvan geen sprake is, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot het beroep dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen besluit II overweegt de Raad als volgt.

Het Uwv heeft bij het besluit II met name de opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige Strijbos, als verwoord in zijn in rubriek I vermeld rapport, ten grondslag gelegd dat bij nader inzien drie functies, die oorspronkelijk bij de schatting waren betrokken, voor appellante ongeschikt moeten worden geacht. Op basis van de overblijvende geschikt bevonden functies van productiemedewerker textiel (SBC 272043) telefoniste (SBC 315120) en chauffeur bijzonder vervoer (SBC 282101) is het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 15,45%, hetgeen leidt tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Daarop is besluit II genomen.

De Raad is op soortgelijke gronden als de rechtbank ten aanzien van besluit I heeft gegeven, van oordeel dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat. De verzekeringsartsen waren op de hoogte van de (pijn)klachten van appellante en in beroep is niet van andere gegevens gebleken dan die reeds in het bezit van de verzekeringsartsen waren.

Met betrekking tot de klacht van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts haar niet heeft gezien, c.q. heeft onderzocht overweegt de Raad dat die enkele omstandigheid er niet aan in de weg hoeft staan dat met het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts rekening wordt gehouden. In het onderhavige geval heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 28 augustus 2003 volstaan met dossierstudie in het kader waarvan hij het onderzoek en de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts heeft herbeoordeeld en de gegevens van de behandelende artsen heeft bestudeerd. Niet gebleken is dat de bezwaarverzekeringsarts daarmee geen volledig beeld heeft kunnen krijgen van de medische situatie van appellante per 26 mei 2003. De Raad tekent hierbij aan dat met een mogelijke verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante in de periode na 26 mei 2003 en een daarmee samenhangende verdere beperking van haar mogelijkheden om arbeid te verrichten in dit geding geen rekening kan worden gehouden. Besluit II ziet immers op de situatie per 26 mei 2003.

Ten aanzien van de geschiktheid van de geduide functies overweegt de Raad dat hij door de aanvullende motivering van de bezwaararbeidsdeskundige Strijbos in zijn rapport van 6 november 2006 voldoende overtuigd is dat appellante met inachtneming van haar medische beperkingen in staat moet worden geacht om een toereikend aantal van de geduide functies te vervullen.

Het is de Raad niet ontgaan dat de bezwaararbeidsdeskundige Strijbos bij de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit van een onjuist, zijnde te laag maatmaninkomen is uitgegaan. In het aan besluit I ten grondslag liggende rapport van 2 oktober 2003 van de bezwaararbeidsdeskundige K. Hoogenkamp is het maatmaninkomen per de datum in geding geïndexeerd naar € 12,78 per uur, terwijl de bezwaararbeidsdeskundige Strijbos uitgaat van € 12,17, welk bedrag voorkomt in het rapport van 25 maart 2003 van de arbeidsdeskundige C.A.M. de Beer. Een berekening van het verlies aan verdiencapaciteit op basis van het juiste maatmaninkomen leidt evenwel niet tot indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan 15 tot 25%, waarvan besluit II uitgaat.

Het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit II moet, het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, ongegrond worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit II ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL