Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5110

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-5735 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5735 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 augustus 2005, 04/2094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlage ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingediend waarop door het Uwv gereageerd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F.T.I. Oey. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

De uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, is door het Uwv met ingang van 7 april 2003 ingetrokken.

Het hiertegen door appellante ingediende bezwaar is bij besluit van 28 juni 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De van de zijde van appellant in bezwaar en beroep, en thans wederom in hoger beroep, aangevoerde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit.

In dit besluit stelt het Uwv zich op het standpunt dat er geen sprake is van verlies van verdiencapaciteit aangezien appellante met de door de (bezwaar)verzekeringsartsen vastgestelde beperkingen in staat moet worden geacht haar eigen werk als groepsleerkracht te verrichten.

De Raad overweegt – met de rechtbank - dat de beperkingen van appellante zijn vastgesteld door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van eigen onderzoek van de primaire verzekeringsarts en mede op basis van informatie van de diverse behandelaars van appellante en van een rapport van een in opdracht van het Uwv ingeschakelde neuropsycholoog.

Het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens in ogenschouw nemend, volgens welke enkel de allergie en oogklachten door medisch onderzoek te objectiveren waren, is de Raad van oordeel dat niet is kunnen blijken van aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat ten aanzien van appellante ten tijde hier van belang op lichamelijk en/of psychisch vlak aantoonbaar sprake was van ernstiger beperkingen dan de beperkingen die reeds door de verzekeringsartsen voor haar van toepassing zijn geacht.

Naar aanleiding van hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot haar lichamelijke klachten - in het bijzonder haar pijn- en vermoeidheidsklachten - overweegt de Raad dat er geen ruimte bestaat om, zonder in strijd te komen met het wettelijke arbeidsongeschiktheidsbegrip zoals dat naar vaste rechtspraak van de Raad dient te worden uitgelegd, louter op grond van de classificatie van dergelijke subjectieve klachten als fibromyalgie arbeidsongeschiktheid aan te nemen.

Ten aanzien van het van de zijde van appellante in hoger beroep ingebrachte rapport, gedateerd 8 maart 2007, van de registerarbeidsdeskundige E.H.J.M. Spanjers overweegt de Raad als volgt.

De Raad kan zich vinden in de reactie op dat rapport door de bezwaararbeidsdeskundige G.C.M. van Heeswijk in diens rapport van 23 maart 2007 dat het rapport van de registerarbeidsdeskundige zich tot aan de slotconclusie laat lezen als een medische rapportage. De Raad is van oordeel dat Spanjers zich met zijn, in overwegende mate op zijn eigen medische visie gegronde aanname dat appellante niet geschikt te achten is voor de maatvrouw functie, zich buiten de grenzen van zijn vakgebied begeven heeft.

Eveneens stelt de Raad zich achter de reactie van genoemde bezwaararbeidsdeskundige op de visie van Spanjers inzake de aan de functie van inval groepsleerkracht verbonden belasting. Deze reactie komt erop neer dat de groepsleerkracht de mogelijkheid heeft de fysieke belasting, zo daar beperkingen voor zouden gelden, in eigen voordeel te beïnvloeden door bepaalde keuzes te maken ten aanzien van de manier van lesgeven: zittend, staand of lopend.

Uit het vorengemelde vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL