Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-3226 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij nader besluit herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3226 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2005, 04/3 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door L.M.M. Fruytier, kantoorgenoot van mr. Haze. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 5 augustus 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

6 oktober 2003 ingetrokken.

Het hiertegen aangetekende bezwaar is bij besluit van 25 november 2003 ongegrond verklaard (hierna: besluit 1).

Hangende het beroep tegen besluit I heeft het Uwv op 8 oktober 2004 een nieuw besluit op bezwaar (hierna: besluit 2) genomen, waarbij besluit 1 is ingetrokken en de aan appellant toegekende uitkering met ingang van 6 oktober 2003 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het vervallen van (proces) belang en het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

Besluit II, hierna: het bestreden besluit, berust op het standpunt dat appellant op

6 oktober 2003, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

De rechtbank heeft in de in het dossier aanwezige medische gegevens voldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat aan het Uwv een juist beeld voor ogen heeft gestaan ten aanzien van de gezondheidssituatie van appellant ten tijde hier van belang en ten aanzien van de daaruit voor hem voor het verrichten van arbeid voortvloeiende beperkingen.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

De van de zijde van appellant gehandhaafde grieven betreffen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant is de mening toegedaan dat de (bezwaar)verzekerings-artsen zijn beperkingen onvoldoende onderzocht hebben en dat bij de geduide functies onvoldoende gemotiveerd is waarom ze voor hem geschikt zijn. Voorts gaat het Uwv er ten onrechte vanuit dat appellant geen mentale beperkingen zou hebben.

Evenals de rechtbank heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad volgt de rechtbank in haar overwegingen ten aanzien van de brief van fysiotherapeut S.E. Leyh van 27 juni 2004 waaraan niet de waarde kan worden toegekend die appellant eraan toegekend wil zien.

De Raad neemt verder in aanmerking dat van de zijde van appellant ook in hoger beroep geen medische gegevens in het geding zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellant in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door de verzekeringsartsen in aanmerking zijn genomen.

Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellants medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande aldus van de juistheid van de bij de functieselectie tot uitgangspunt genomen functionele mogelijkheden, bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellant voorgehouden functies voor hem in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

Appellants in algemene bewoordingen gestelde grief, inhoudende dat onvoldoende is toegelicht waarom de functies voor hem passend zijn te achten, slaagt niet, reeds omdat elke concrete onderbouwing voor de grief ontbreekt.

De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.R.H. van Roekel.

JL