Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-4845 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4845 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2005, 01/3899 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.B.M. de Rooij, juridisch medewerker van

Nieuwe Unie ‘91, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Rooij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als ziekenverzorgster in een bejaardentehuis gedurende 32 uur per week. Appellante heeft zich op 21 januari 1999 ziek gemeld met pijnklachten als gevolg van een val tijdens haar werkzaamheden.

Bij besluit van 19 oktober 2000 heeft het Uwv aan appellante per 20 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Het hiertegen aangetekende bezwaar werd bij besluit van 26 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Appellante stelt zich op het standpunt op 20 januari 2000, de in geding zijnde datum, volledig arbeidsongeschikt te zijn. Zij heeft in hoger beroep haar grief herhaald dat de primaire verzekeringsarts T. Kloosterman op het spreekuurcontact op 12 januari 2000 had moeten onderkennen dat appellante toen reeds psychische klachten had. Weliswaar ging het op dat moment naar omstandigheden redelijk goed met appellante en was zichzelf toen niet bewust van het bestaan van psychische klachten, echter, de opmerking van de arbo-arts A. Ester dat appellante in een gesprek met hem op 31 maart 1999 surmenage ontkent, had te verzekeringsarts aanleiding moeten geven onderzoek te doen naar het mogelijke bestaan van psychische klachten. Volgens appellante is er sprake van onzorgvuldig medisch onderzoek.

Voorts is van de zijde van appellante aangevoerd dat arbeidsdeskundige J.A.H. van As in zijn rapportage van 18 juli 2000 schrijft dat hij, in relatie met de door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheid, de indruk op het spreekuur kreeg van reële en invoelbare emoties bij appellante en dat hij het gevoel had een heel andere verzekerde voor zich te zien dan door de verzekeringsarts was gezien. De arbeidsdeskundige adviseerde vervolgens dan ook het dossier nogmaals aan de verzekeringsarts ter beoordeling voor te leggen, wat vervolgens niet gebeurd is. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarna op basis van dossieronderzoek de bevindingen van de primaire arts onderschreven.

Appellante ziet in deze gang van zaken eveneens voldoende aanleiding om te spreken van onzorgvuldig onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv.

De rechtbank heeft inzake deze overwogen dat de arbeidsdeskundige inderdaad gesteld heeft dat het dossier nogmaals moest worden voorgelegd aan de verzekeringsarts en dat dit vervolgens niet gebeurd is, maar dat het feit dat de bezwaarverzekeringsarts het dossier herbeoordeeld heeft, met meeweging van informatie uit de behandelende sector, maakt dat de grief van appellante faalt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten in de stukken te vinden zijn voor het standpunt dat op de datum in geding appellante op psychische gronden niet in staat kon worden geacht arbeid te verrichten. De Raad overweegt in dit verband dat de opmerking van de arbeidsdeskundige in zijn rapport dateert van circa een half jaar na het onderzoek door de verzekeringsarts en de datum in geding en dat hierin wel een signaal te lezen valt van psychische klachten. Appellante heeft zich eind 2001 hiervoor onder behandeling laten stellen en het Uwv heeft appellante met ingang van 1 augustus 2001, mede op psychische gronden, toegenomen arbeidsongeschikt verklaard en haar een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Mede in het licht van het verhandelde ter zitting voegt de Raad hier nog aan toe begrip te kunnen opbrengen voor de gevoelens van appellante als gevolg van het verlies van haar werk en de reactie van de omgeving op haar klachten, maar dat het wettelijke arbeidsongeschiktheids criterium enkel ziet op objectief medisch vast te stellen ziekte of gebreken per een bepaalde datum.

Het hoger beroep faalt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.

MK