Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5097

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
06-5057 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderbijslag geweigerd. Ingezetene? Middelpunt van maatschappelijk leven in Nederland?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5057 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda 20 juli 2006, 06/800 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr.drs. P.A. Groenhuis, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. In een later stadium zijn nog aanvullende bescheiden overgelegd.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mw. mr. P.J.M. Kools, eveneens advocaat te Breda. De SVB heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de vraag of de SVB zich bij het besluit op bezwaar van 5 januari 2006 terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van het eerste kwartaal van 2005 geen recht heeft op kinderbijslag omdat hij geen ingezetene is in de zin van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Niet in geschil is dat appellant per voormelde datum niet terzake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting was onderworpen.

Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. De vraag waar appellant op de peildatum woonde, wordt voor de toepassing van de AKW, ingevolge artikel 3, eerste lid, van die wet naar de omstandigheden beantwoord. Naar vaste jurisprudentie van de Raad is daarbij in het bijzonder van belang in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding van de betrokken persoon met Nederland. Aangenomen moet worden dat op het moment waarop gezien deze criteria het middelpunt van het maatschappelijk leven geacht kan worden in Nederland te zijn gelegen, de betrokken persoon woonplaats in Nederland heeft.

De Raad is dienaangaande met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde peildatum niet gezegd kan worden dat de binding met Nederland dusdanig was dat appellant als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd en overweegt daartoe als volgt.

Weliswaar had appellant te dien tijde een voldoende juridische binding met Nederland door het bezit van een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar zijn economische en sociale binding met Nederland waren toen beslist zwak te noemen.

Wat dit laatste betreft, beklemtoont de Raad dat appellant destijds geen zelfstandige woonruimte hier te lande bezat, doch slechts bij familie of vrienden verbleef, terwijl hij wel een woonhuis te Marokko bezat waar hij regelmatig en substantieel voor een groot deel van het jaar bij zijn tweede vrouw en gezin verbleef. Appellant was daarenboven hier toen noch werkzaam in loondienst dan wel in een eigen zaak, doch genoot een WAO- uitkering.

Het is de Raad niet ontgaan dat appellant in het verleden toen hij nog bij zijn eerste vrouw verbleef, van wie hij inmiddels gescheiden is, sterkere banden met Nederland heeft onderhouden, en dat evenmin uitgesloten is dat in de nabije toekomst de banden met Nederland andermaal weer aangehaald kunnen worden wanneer hij mogelijk weer over een zelfstandige woonruimte kan beschikken, zeker wanneer hij daarnaar ook zijn huidige partner en gezin uit Marokko kan laten overkomen voor definitieve huisvesting. Een en ander bepaalt evenwel (nog) in genen dele de situatie per het eerste kwartaal van 2005 en kan dan ook volgens de Raad hiervoor niet van meewegende betekenis worden beschouwd. De Raad is evenmin van andere beslissende feitelijke omstandigheden - zoals het lidmaatschap van appellant van een moskee en het contact met een in Nederland woonachtige zoon uit zijn eerste huwelijk - gebleken welke per meerbedoeld kwartaal tot een ander oordeel kunnen leiden.

Gelet op het totaal beeld van al de gegeven factoren blijkens de stukken en de zitting in onderling verband, ziet de Raad in elk geval onvoldoende steun voor de zienswijze van appellant dat hij het middelpunt van zijn maatschappelijk leven per het eerste kwartaal van 2005 in Nederland had en blijft staande dat niet genoegzaam is voldaan aan de voorwaarden om verzekerd te blijven voor de AKW. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Er wordt dan ook beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E.Lysen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

GG020507