Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-3217 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3217 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 april 2005, 04/1823 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.G. Palmen, werkzaam bij Palmen palmen & associates te Brunssum, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Appellante is - zoals schriftelijk was bericht - niet verschenen en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 26 mei 2004 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 19 februari 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Bij besluit van 13 september 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 mei 2004 ongegrond verklaard.

Het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat reeds door haar in beroep in aangevoerd.

Appellante blijft van mening dat zij ten gevolge van de klachten die zij heeft overgehouden aan het ongeval in februari 2003 een arbeidsduurbeperking van 25% opgelegd zou moeten krijgen.

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante brieven van de huisarts A.J. Drost d.d. 17 maart 2005, en de fysiotherapeut F.J.L. Tummers d.d. 12 maart 2005, ingediend.

De Raad overweegt als volgt.

In hetgeen appellante naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad berust het standpunt van het Uwv dat appellante in staat moet worden geacht om per 19 februari 2004 zonder beperkingen haar eigen werk te verrichten op zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij informatie van de behandelende sector is betrokken. De door appellante in hoger beroep ingediende informatie geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander standpunt te komen. De Raad onderschrijft de reactie van bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen die in de rapportage van

9 augustus 2005 gemotiveerd uiteengezet heeft dat er geen onderbouwing met medische argumenten is te geven voor een urenreductie van 25%.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.H.A. Uri.