Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5084

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
05-547 WAO + 05-548 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Standaard Verminderde Arbeidsduur is beleidsdocument. Rechter daaraan niet gebonden. Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Terugvordering voorschot.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/547 WAO + 05/548 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 december 2004, 04/1877 en 04/1878 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.A. Drenth, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desverzocht bij brieven van 26 april 2005 en 19 december 2006 enige inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2007. Partijen zijn, het Uwv met kennisgeving, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om hem, na voltooiing van de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 18 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toe te kennen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 21 januari 2004 heeft het Uwv de over de periode van 18 augustus 2003 tot en met 30 november 2003 bij wijze van voorschot naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Deze besluiten zijn gehandhaafd bij besluiten van 11 juni 2004.

Tegen het terugvorderingsbesluit zijn geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat het terugvorderingbesluit onjuist is, omdat hij over de periode van 18 augustus 2003 tot en met 30 november 2003 recht heeft op WAO-uitkering, zodat van terugvordering geen sprake kan zijn. Voor de vraag of de bestreden besluiten standhouden is derhalve bepalend of appellant met ingang van 18 augustus 2003 aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Die vraag is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak (impliciet) ontkennend beantwoord door te oordelen dat appellant per de datum in geding voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar de gronden van het inleidend beroep bij de rechtbank. In het bijzonder heeft appellant nog aangevoerd dat de medische beperkingen zijn onderschat doordat de rechtbank ongemotiveerd heeft geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts de Standaard Verminderde Arbeidsduur niet onjuist had toegepast. Appellant blijft van opvatting dat voor hem een medische urenbeperking dient te gelden, zoals ook is geadviseerd door de door hem ingeschakelde medisch adviseur M. Blom.

Het Uwv heeft bij het licht van de uitspraken van 9 november 2004 en 12 oktober 2006 (o.a. LJN AY9971) op verzoek van de Raad bij rapporten van 26 april 2005 respectievelijk 12 december 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman een nadere uiteenzetting gegeven met betrekking tot de geschiktheid van appellant voor de aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag gelegde functies. In deze rapporten is de conclusie getrokken dat alles overwegend en in onderlinge samenhang beschouwd in de functies geen sprake is van een voor appellant ontoelaatbare overschrijding van zijn belastbaarheid.

Met betrekking tot de Standaard Verminderde Arbeidsduur verwijst de Raad naar zijn eerder gegeven uitspraken van 4 juli 2006 (LJN: AY3613) en 10 november 2006 (LJN: AZ2814) dat de Standaard een beleidsdocument is van het Uwv, inhoudende een instructie aan de verzekeringsartsen van die instantie. De bestuursrechter is bij de vaststelling van de feiten niet aan deze Standaard gebonden. Reeds op deze grond treft deze grief geen doel.

De medisch adviseur Blom heeft bij brief van 18 oktober 2004 kritiek geuit op de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts dat de geselecteerde functies voldoende energiesparend zijn en dat om die reden een medische urenbeperking niet noodzakelijk is. Naar de opvatting van deze medisch adviseur had rekening behoren te worden gehouden met de omstandigheid dat appellant, los van enige werksituatie, bij reeds wat intensiever bezig zijn, als gevolg van hoofdpijn forse beperkingen ondervindt. Een urenbeperking zou in dat geval preventief werken. Hierin ziet de Raad evenwel onvoldoende grondslag gelegen om een urenbeperking voor appellant noodzakelijk te achten, daarbij mede lettend op de hiervoor vermelde uitkomst van het nadere arbeidskundig onderzoek van 12 december 2006 dat in de geselecteerde functies geen ontoelaatbare overschrijding van de belastbaarheid plaatsvindt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden besluiten in stand zijn gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) T.R.H. van Roekel.