Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA5082

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2007
Datum publicatie
15-05-2007
Zaaknummer
06-5458 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-uitkering, wegens niet verzekerde jaren, waarin betrokkene niet als ingezetene was aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5458 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 augustus 2006, 06/370 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna:SVB)

Datum uitspraak: 10 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De SVB heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is aan de orde gesteld op 19 april 2007. Partijen zijn daar niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Het geschilpunt in hoger beroep komt hierop neer dat appellant zich ook tussen 17 april 1966 en 17 april 1969 onder verwijzing naar zijn bindingen en arbeidsverleden als ingezetene van Nederland beschouwt, zodat over die jaren ten onrechte een - te hoge - korting op zijn AOW- pensioen is toegepast.

Met toepassing van de artikelen 2 en 6 van de AOW en onder inachtneming van het beleid van de SVB ter zake van het geleidelijk verkrijgen van het ingezetenschap na vestiging hier te lande is de rechtbank in de aangevallen uitspraak tot de gemotiveerde conclusie gekomen dat appellant voor 17 april 1969 niet als ingezetene van Nederland

was te beschouwen en op die grond niet verzekerd was voor de AOW, omdat volgens het beleid van de SVB, zoals ook verwoord in het na bezwaar genomen besluit van 8 december 2005, eerst een verblijfsduur van 3 jaar in Nederland moest worden gerealiseerd. De rechtbank acht tevens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellant op basis van werken verzekerd was voor de AOW.

De Raad heeft gegeven de summiere, indicatieve motivering van het hoger beroep enerzijds en onder kennisneming van de feitelijke gegevens in de stukken anderzijds geen overtuigende - nieuwe - concrete aanknopingspunten aangetroffen om anders dan de rechtbank - het begin van bewijs van - zodanig werk en zodanige economische en sociale bindingen aan te nemen dat in afwijking van het uitvoeringsbeleid reeds tussen medio 1966 en medio 1969 het ingezetenschap en het verzekerd zijn van de appellant voor de toepassing van de AOW zou kunnen en mogen worden aangenomen. Van zeer bijzondere omstandigheden welke hiertoe alsnog zouden kunnen leiden is de Raad evenmin gebleken. Met de rechtbank acht de Raad wat de sociale binding betreft trouwens significant dat de echtgenote van appellant eerst in de verdere loop van de jaren zeventig naar Nederland is gekomen.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Er wordt derhalve beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.