Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
04-6205 WAO
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2009:BH5156
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6205 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 oktober 2004, 04/299 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Kort-Schenk, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kort. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Met betrekking tot de medische grondslag van het besluit van 7 januari 2004 (bestreden besluit) sluit de Raad zich aan bij de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep ter zake heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft de nodige beperkingen aangenomen ten aanzien van het gebruik van de linkerarm, in verband met de slokdarm/buikklachten en de gynaecologische klachten en vanwege de hogere luchtwegproblematiek.

De röntgenfoto’s van 18 november 2003 geven een visualisering van de door orthopedisch chirurg H.J. Kooijman in zijn expertise van 20 november 2003 genoemde afwijkingen aan de linker elleboog. De bezwaarverzekeringsarts heeft blijkens zijn rapportage van 29 maart 2004 deze informatie meegewogen en aangegeven dat deze informatie niet leidt tot de conclusie dat de gestelde beperkingen onvoldoende zouden zijn. De Raad ziet geen aanleiding deze conclusie voor onjuist te houden.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad het volgende.

Appellante heeft aangevoerd dat zij geen kassawerkzaamheden kan verrichten. Zij heeft haar standpunt onderbouwd met een brief van de chirurg-traumatoloog E.J.M. Smit van 15 november 2004 en van Kooijman, voornoemd, van 29 december 2004. Zij heeft voorts aangevoerd dat de functie telefonist ook niet geschikt is omdat daarvoor een mavo-diploma wordt gevraagd, waarover zij niet beschikt.

In hoger beroep heeft de Raad het Uwv verzocht aan te geven of de uitspraken van

9 november 2004 (LJN AR4716) aanleiding geven een nadere motivering op het bestreden besluit in te sturen.

Het Uwv heeft heeft bij het verweerschrift een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 januari 2005 overgelegd.

Daarin is een toelichting gegeven op de functie kassamedewerker.

Desgevraagd heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 6 oktober 2006 de functies opnieuw beoordeeld en is tot de conclusie gekomen dat de functies kassamedewerker (SBC-code 317030), telefonist (315120), samensteller metaalwaren (264140) en assistent consultatiebureau (372091) passend zijn voor appellante; dit standpunt is voorzien van een uitvoerige toelichting.

In de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 6 februari 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 februari 2007 is nader ingegaan op de vraag of appellante in staat moet worden geacht een dienblad te dragen.

De Raad is van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de hiervoor genoemde functies te uit te oefenen.

Wat betreft de functie van kassamedewerker overweegt de Raad dat het hier gaat om kassawerkzaamheden in de amusementssector en bij een grootwinkelbedrijf; het gaat dus niet om cassière in een supermarkt. Gelet op de toelichtingen van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige op deze functie is de Raad er voldoende van overtuigd dat appellante de bij deze functie behorende werkzaamheden kan verrichten. Ook ten aanzien van tillen is geen sprake van een overschrijding: appellante wordt niet in staat geacht 10 keer per uur 15 kilogram te hanteren; 5 keer per uur 2 kilogram of af en toe artikelen tot 10 kilogram moet echter kunnen. Het gewicht op het dienblad is eveneens maximaal 2 kilogram en appellante kan het dienblad aan de rand vasthouden of op de vlakke (niet-beperkte) rechterhand. Dat appellante voorkeur heeft om met links te dragen doet daar niet aan af. De Raad merkt daarbij op dat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige bij uitstek deskundig zijn om de belasting van een functie te vergelijken met de belastbaarheid en ter zake conclusies te trekken. Kooijman geeft dit ook aan in zijn brief van 29 december 2004.

Met betrekking tot de functie telefonist overweegt de Raad dat voor deze functie - anders dan appellante stelt - geen mavo-diploma is vereist, maar mavo-niveau. Dit blijkt uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 5 juni 2003. Nu appellante enkele jaren huishoudschool heeft gevolgd en diverse functies heeft uitgeoefend, voldoet zij aan deze voorwaarde.

Derhalve berust het bestreden besluit op voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen.

Het Uwv heeft dan ook terecht geweigerd appellante ingaande 13 juli 2003 een WAO-uitkering toe te kennen.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet op ’s-Raads standpunt met betrekking tot het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, zoals weergegeven in de hiervoor genoemde uitspraken van

9 november 2004 moet zulks tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd maar dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand kunnen worden gelaten.

Het vorenstaande leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen bedoeld besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb, dienen te worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 133,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op

11 mei 2007.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.H.A. Uri.

TM