Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
14-05-2007
Zaaknummer
05-2088 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschikt bij aanvang WAO-verzekering? Zorgvuldige voorbereiding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2088 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 maart 2005, 04/1480 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 11 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007.

Appellant was vertegenwoordigd door mr. De Jonge en het Uwv door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is het Uwv bevoegd met betrekking tot uit de WAO voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten algehele arbeidsongeschiktheid, welke bestond op het tijdstip, dat de verzekering een aanvang nam.

Bij besluit van 11 mei 2004 heeft het Uwv – beslissend op bezwaar – geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen op grond van de overweging dat appellant op

12 april 1999, zijnde de datum van aanvang van de WAO-verzekering, reeds volledig arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft het besluit doen rusten op artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO.

Naar in het verweerschrift is vermeld heeft het Uwv in zijn besluitvorming mede acht geslagen op het Besluit buiten aanmerking laten van arbeidsongeschiktheid, zoals dit gold tot 23 juni 2004 (hierna: Besluit).

In het in dit Besluit neergelegde beleid is onder andere opgenomen dat het Uwv niet in alle gevallen waarin de bevoegdheid tot weigering bestaat daarvan gebruik maakt. Zo zal geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid indien de verzekerde bij aanvang van de verzekering de uitval niet had kunnen verwachten en de verzekerde gedurende 6 maanden normaal arbeid heeft verricht.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 11 mei 2004 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich kort samengevat op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de WAO-verzekering aanvangt per 12 april 1999 en dat er gelet op het arbeidsverleden van appellant voor toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO geen plaats is.

Het Uwv heeft zich, zoals toegelicht in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat appellant weliswaar langer dan zes maanden werkzaamheden heeft verricht, maar dat geen sprake is van normale arbeid als bedoeld in het Besluit.

De Raad overweegt als volgt.

Uit het zogenoemde overzicht dienstverbanden blijkt dat appellant in de periode van

20 juni 1994 tot 20 maart 1998 diverse meestal kortdurende dienstverbanden heeft gehad. In de periode tussen 20 maart 1998 en 12 april 1999 heeft appellant geen werkzaamheden verricht. Voor het oordeel dat appellant niettemin voor de WAO verzekerd is gebleven tot 12 april 1999 bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten.

Per 12 april 1999 is appellant wederom een dienstverband aangegaan. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat per die datum de WAO-verzekering is aangevangen.

De Raad overweegt voorts als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor de toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties geven voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.

Voorts wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad het begrip algehele arbeidsongeschiktheid niet uitsluitend bepaald door het medisch oordeel. Indien een verzekerde ondanks ziekte of gebreken arbeid heeft verricht moeten mede in aanmerking worden genomen factoren als de aard van de arbeid, de wijze waarop die arbeid werd verricht en het tijdvak gedurende hetwelk die arbeid werd verricht.

In meergenoemd overzicht dienstverbanden is opgenomen dat appellant voordat hij uitviel twee dienstverbanden heeft gehad. Een dienstverband van 12 april 1999 tot en met 30 september 2000 en een – aansluitend -dienstverband van 1 oktober 2000 tot en met

31 maart 2001. Deze dienstverbanden beslaan in totaal bijna twee jaar.

Dit neemt bezien op zichzelf niet weg dat het mogelijk is dat appellant reeds bij aanvang van de verzekering algeheel arbeidsongeschikt was. Hiervoor is dan echter mede gelet op de lange duur van de dienstverbanden, het Besluit en de vaste rechtspraak van de Raad, wel noodzakelijk dat op ondubbelzinnige wijze komt vast te staan dat appellant tijdens de dienstverbanden die bijna twee jaar hebben bestaan geen reële op de arbeidsmarkt voorkomende functie heeft verricht.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat van de zijde van het Uwv deugdelijk onderzoek is verricht naar de aard en inhoud van de werkzaamheden van appellant, de wijze waarop hij deze heeft verricht, zijn ziekteverzuim en zijn verdiensten.

In de rapportages van de arbeidsdeskundigen F.E. van der Windt van 9 maart 2004 en

F. Oudmaijer van 16 maart 2004 is vermeld dat geen onderzoek bij de voormalig werkgever heeft plaatsgevonden, maar dat voldoende informatie voorhanden was verkregen van de broer van appellant.

Dat onderzoek bij de voormalig werkgever van appellant niet tot de mogelijkheden behoorde is de Raad niet kunnen blijken. De enkele omstandigheid dat naar uit een rapportage van 8 augustus 2001 blijkt dat de werkgever niet reageerde op bij een medewerker van het bedrijf achtergelaten telefonisch gedane verzoeken is hiervoor onvoldoende.

De broer van appellant heeft kort samengevat gemeld dat appellant als autopoetser heeft gewerkt bij een kennis van hem en dat deze kennis appellant zo nu en dan de hand boven het hoofd hield.

Uit de gedingstukken blijkt niet dat de broer van appellant informatie heeft verstrekt over de aard en inhoud van de werkzaamheden, de wijze waarop appellant die heeft verricht, op welke wijze appellant de hand boven het hoofd werd gehouden, de verdiensten en het ziekteverzuim.

Naar het oordeel van de Raad biedt de informatie van de broer onvoldoende grondslag om tot het oordeel te kunnen komen dat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat appellant gedurende de bijna twee jaar dat er dienstverbanden hebben bestaan geen reële op de arbeidsmarkt voorkomende functie heeft verricht.

Onder de vorengeschetste omstandigheden dient tot het oordeel te worden gekomen dat het Uwv niet op voldoende zorgvuldige wijze het besluit van 11 mei 2004 heeft voorbereid en genomen en mitsdien heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het hoger beroep is mitsdien gegrond, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard.

Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog het volgende op. Op basis van deze uitspraak is het Uwv niet gehouden appellant zonder meer een uitkering te verstrekken. Het Uwv is slechts gehouden om nader onderzoek te plegen naar de werkzaamheden door appellant verricht in de periode van 12 april 1999 tot en met 31 maart 2001. Indien uit dit nader onderzoek op ondubbelzinnige wijze blijkt dat geen sprake is geweest van reële werkzaamheden als hiervoor bedoeld staat deze uitspraak er niet aan in de weg dat het Uwv wederom tot toepassing van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO over gaat.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.610,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 mei 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 966,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant de betaalde griffierechten in beroep en hoger beroep van in totaal € 140,-- vergoedt.

De uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2007.

(get.) J. Brand.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.