Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4817

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
05-7117 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7117 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2005, 05/1754 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr.ir. H.H. Veurtjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2007. Namens appellante is verschenen mr.ir. Veurtjes. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als inpakster van stropdassen. Op 20 september 2004 heeft zij zich ziek gemeld met hoofdpijn en hartkloppingen. Tevens was sprake van schildklierproblemen. Op 7 januari 2005 is zij onderzocht door een verzekeringsarts die haar per 10 januari 2005 hersteld verklaarde. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 7 januari 2005 geweigerd appellante vanaf 10 januari 2005 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Bij besluit op bezwaar van 15 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 januari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad dat de primaire verzekeringsarts informatie heeft gevraagd aan en verkregen van de huisarts, de behandelend cardioloog en de behandelend internist. Uit de brief van de internist van 22 december 2004 blijkt dat bij appellante de diagnose hyperthyreo├»die op basis van Morbus Graves is gesteld, waarvoor zij medicatie ontvangt. Aangezien zij goed was ingesteld op die medicatie achtte de internist adviezen ten aanzien van werkbelasting niet van toepassing. Uit de brief van de cardioloog aan de huisarts van 22 mei 2003 blijkt dat bij appellante sprake was van atriale tachycardie waarvoor zij medicatie kreeg en van een licht verminderde linker ventrikelfunctie met aorta- en mitralisinsuffici├źntie na een recente zwangerschap. In zijn brief van eind december 2004 schrijft de huisarts dat het een jaar na de bevalling beter gaat met appellante, maar dat zij nog geregeld last heeft van hartkloppingen en inspanningsdyspnoe, in verband waarmee zij zich recent nog had ziek gemeld. Hij vindt dat zij labiel blijft, maar denkt dat zij inmiddels wel weer kan werken, doch niet te hard. Uit een brief van de cardioloog van 21 maart 2005 blijkt dat de situatie stabiel was. Er was een fietsergometrisch onderzoek verricht waarbij de tensie opbouw goed was, hetgeen reden was om vooralsnog conservatief te behandelen. In de nabije toekomst leek een klepoperatie echter aannemelijk.

De Raad is van oordeel dat de vorenvermelde medische informatie de conclusie rechtvaardigt dat appellante op en na 10 januari 2005 met de lichte werkzaamheden van stropdasinpakster belast kon worden. De Raad is dan ook van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts op goede gronden appellante per 10 januari 2005 hersteld heeft verklaard. Gelet daarop heeft het Uwv terecht geweigerd appellante per die datum verdere uitkering ingevolge de ZW te verstrekken. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en

C.P.M. van de Kerkhof en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.