Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
05-2515 WAO + 05-2522 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering met terugwerkende kracht. Inkomsten uit eigen bedrijf. Terugvordering. Redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2515 + 05/2522 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 23 maart 2005, 03/1407 en 03/1210,

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. van Sambeek, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Rijswijk, tegen de hiervoor vermelde uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Sambeek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontving sinds 1987 een uitkering in verband met arbeidsongeschiktheid aanvankelijk op basis van een regeling die verband hield met zijn (voormalige) ambtelijke aanstelling. Deze uitkering is later omgezet in een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 1999 werd aan appellant uitkering verstrekt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% op basis van het geschat verdienvermogen in voor appellant geselecteerde functies.

Vanaf 1989 heeft appellant een assurantiekantoor, waarin hij als zelfstandige werkzaam is.

In 1999 is appellant gevraagd de winstcijfers van zijn onderneming over voorgaande jaren te verstrekken. De arbeidsdeskundige A. Rosdorf-Huijsdens heeft vervolgens in een rapport van 18 januari 2000 geadviseerd de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vast te stellen op 25 tot 35% en met ingang van 1 januari 2000, zulks op grond van de op dat moment bekende verdiensten van appellant als zelfstandige over de jaren 1996, 1997 en 1998, de uitkering aan appellant uit te betalen alsof hij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt was.

In een besluit van 23 februari 2000 heeft het Uwv overeenkomstig dat advies besloten. In dat besluit is onder meer vermeld dat het recht op uitkering niet formeel wordt herzien totdat de inkomsten over 1999 bekend zijn. In het besluit werd appellants maatmaninkomen vastgesteld op f 39,28 (€ 17,83) per uur en zijn verdiensten op f 33,29 (€ 15,11) per uur, hetgeen blijkens het rapport van Rosdorf-Huijdens leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van 15,25%.

In een begeleidende brief van 23 februari 2000 werd appellant erop attent gemaakt dat het besluit nog kon wijzigen als gevolg van inkomensgegevens over 1999.

Appellant heeft bij brief van 6 juni 2000 de winstcijfers over 1999 verstrekt en een schatting van de winst over 2000 gegeven.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige P.J. Arets volgens zijn rapport van

13 januari 2003 de definitieve winstcijfers over 2000 in januari 2003 telefonisch bij appellant opgevraagd. In dat rapport heeft hij berekend dat de winst per uur na aftrek van zogeheten A-premie op € 19,71 per uur over 1999 en op € 20,05 per uur over 2000 kon worden gesteld.

Het maatmaninkomen over die jaren heeft de arbeidsdeskundige Arets geïndexeerd en gesteld op € 18,36 per uur over 1999 en € 19,54 per uur over 2000. Hieruit heeft de arbeidsdeskundige Arets de conclusie getrokken dat op basis van reeds geruime tijd gerealiseerde feitelijke verdiensten er geen sprake meer was van verlies aan verdiencapaciteit bij appellant.

Overeenkomstig zijn advies heeft het Uwv bij besluit van 20 januari 2003 besloten de uitkering ingevolge de WAO met ingang van 1 januari 1999 te beëindigen.

Tegen dit besluit is bij brief van 24 februari 2003 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 augustus 2003, verder te noemen: besluit 1, is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Inmiddels had het Uwv bij besluit van 18 juli 2003, verder te noemen: besluit 2, ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 17 maart 2003, waarbij de uitkering ingevolge de WAO over het tijdvak van 1 januari 1999 tot

1 januari 2003 tot een bedrag van € 16.809,82 bruto en over januari 2003 tot een bedrag van € 311,73 netto van appellant wordt teruggevorderd.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 maart 2005, 03/1407, verder: uitspraak 1, het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

In die uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, is in verband daarmee onder meer het volgende overwogen:

"De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij spitst dit geschil zich toe op de vraag of verweerder de uitkering op grond van de WAO terecht met ingang van 1 januari 1999 heeft ingetrokken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Het intrekken of verlagen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht is in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidbeginsel te achten.

Een uitzondering op deze regel is - onder meer - mogelijk indien een betrokkene wist, althans met voldoende zekerheid behoorde te weten, dat ernstig rekening diende te worden gehouden met de mogelijkheid dat tot intrekken of verlaging van de uitkering zou worden overgegaan.

Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast, dat eiser op grond van eerdere brieven van verweerder,zoals hierboven weergegeven, wist, althans had moeten weten dat zijn inkomsten van 1999 nog van invloed konden zijn om de hoogte van zijn uitkering. Dat verweerder hiertoe pas in 2003 overgaat is wellicht minder zorgvuldig, maar kan er niet toe leiden dat het bestreden besluit om die reden niet in stand kan blijven. Het beroep op schending van het rechtszekerheidsbeginsel kan derhalve niet slagen. Verweerder heeft derhalve terecht vastgesteld dat eiser met ingang van 1 januari 1999 geen recht meer heeft op een uitkering."

De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 maart 2005, 03/1210, verder: uitspraak 2, het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

In die uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, is in verband daarmee onder meer het volgende overwogen:

" In het eerste lid van artikel 57 van de WAO wordt de hoofdregel weergegeven, die het verweerder in beginsel verplicht tot terugvordering van al hetgeen onverschuldigd is betaald. Sinds 1 augustus 1996 sluit artikel 57 lid 2 van de WAO aan bij de verjaring van art. 309 van boek 3 van het BW. Een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend geworden is en in ieder geval twintig jaren nadat de vordering is ontstaan. De termijn van vijf jaar begint te tellen op de dag waarop ontdekt wordt dat er te veel betaald is. Bovendien kan de terugvordering ook betrekking hebben op onverschuldigde betaling over een periode, gelegen vijf jaar of meer vóór de dag van betaalbaarstelling.

Op grond van bovenstaande wettelijke bepalingen was verweerder dus verplicht om tot terugvorderen over te gaan. Hoewel verweerder wellicht eerder tot terugvorderen had kunnen overgaan is daarmee niet gezegd dat het besluit om die reden onrechtmatig is.

Eiser had reeds lange tijd kunnen / moeten verwachten dat hij vanwege zijn inkomsten uit arbeid niet langer recht had op een uitkering op grond van de WAO. Deze grief kan derhalve niet slagen.

Op grond van artikel 57, vierde lid, van de WAO, kan indien er dringende redenen aanwezig zijn van de hierboven genoemde hoofdregel worden afgeweken. Verweerder kan in zo'n geval besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Blijkens de wetsgeschiedenis kunnen dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die de terugvordering voor de verzekerde (i.c.eiser) heeft. De door eiser is beroep aangevoerde omstandigheden leveren echter naar het oordeel van de rechtbank geen dringende reden op zoals hierboven genoemd. Het beroep kan derhalve niet slagen.

Verweerder heeft derhalve op grond van de overwegingen als vermeld in het bestreden besluit terecht besloten het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat door verweerder is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden."

In hoger beroep heeft appellant zijn stellingen in eerste aanleg herhaald en daaraan ter zitting van de Raad toegevoegd dat naar zijn oordeel met een beroep op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154; 1990, 156 (EVRM) van terugvordering zou moeten worden afgezien.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad kan zich verenigen met hetgeen in uitspraak 1 en uitspraak 2 is overwogen en geoordeeld met betrekking tot de intrekking met terugwerkende kracht tot 1 januari 1999 van appellants uitkering en de terugvordering van hetgeen aan uitkering als gevolg van die intrekking na die datum onverschuldigd is betaald.

De Raad constateert met de rechtbank dat appellant door de inhoud van het besluit van

23 februari 2000 en van de begeleidende brief van diezelfde datum kon weten dat het recht op uitkering vanaf 1999 nog niet definitief was vastgesteld.

De Raad is het eens met de rechtbank dat het Uwv zorgvuldiger had kunnen handelen door niet pas in januari 2003 maar kort na de ontvangst in juni 2000 van de gegevens over 1999 en de prognose over 2000 de besluiten te nemen die thans in geding zijn. Echter uitsluitend het tijdsverloop in het onderhavige geval kan niet tot de conclusie leiden dat daarom intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht en terugvordering in strijd zouden komen met het rechtszekerheidsbeginsel of anderszins onrechtmatig zouden zijn.

Daar komt in het onderhavige geval nog bij dat appellant van het voor hem geldende maatmaninkomen op de hoogte kon zijn via het besluit van 23 februari 2000. Een eenvoudige, voor hem als eigenaar van een assurantiekantoor zeker niet te moeilijke berekening had hem duidelijk kunnen maken dat zijn verdiensten ook al in 1999 het maatmaninkomen ruimschoots hadden overtroffen en er dus geen sprake meer was van enige inkomensderving die een WAO-uitkering rechtvaardigt. Die verdiensten hadden voor appellant ook aanleiding kunnen zijn om na juni 2000 zelf bij het Uwv navraag te doen of hij nog wel op de uitkering aanspraak maken kon. Wat hier verder ook van zij, dit gegeven kon appellant in elk geval geen aanleiding geven voor een in rechte te honoreren veronderstelling of verwachting dat hem over 1999 en later juiste uitkeringen werden verstrekt.

Het beroep op het bestaan van een dringende reden als bedoeld in artikel 57 van de WAO slaagt ook niet.

De Raad acht zonder meer aannemelijk dat de onderhavige besluiten van het Uwv appellant de door hem geschetste problemen met de ziektekostenverzekering voor hemzelf en zijn dochter hebben bezorgd. Die problemen, die ook ten dele waren veroorzaakt doordat appellant net twee dure auto's had aangeschaft, heeft appellant volgens zijn verklaring ter zitting echter kunnen oplossen zonder dat er sprake is geweest van een faillissement.

Dit alles kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als iets heel bijzonders en uitzonderlijks wat in de jurisprudentie van de Raad wordt beschouwd als een dringende reden om van terugvordering af te zien.

Wat betreft het beroep op artikel 6 EVRM stelt de Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in dat artikel is aangevangen op het moment dat appellant zijn eerste bezwaarschrift indiende, 24 februari 2003, en dat die termijn eindigt op de datum waarop de Raad in deze zaken uitspraak doet, te weten: 8 mei 2007. Dat is een termijn van meer dan vier jaar en zonder dat blijkt dat er sprake is geweest van vertraging die kan worden geweten aan de complexiteit van de zaken of aan de proceshouding van een partij.

De Raad moet echter tevens vaststellen dat het aandeel van het Uwv in die termijn minder dan zes maanden, van 24 februari 2003 tot 20 augustus 2003, is geweest, welke termijn de Raad niet onredelijk lang acht.

Dit leidt de Raad tot de slotsom dat het beroep op artikel 6 van het EVRM niet slaagt, nog daargelaten of een overschrijding van die redelijke termijn door het Uwv zonder meer zou moeten leiden tot een beperking van de toelaatbaarheid van terugwerkende kracht van de intrekking van de uitkering of tot een reductie van de terugvordering.

Wat betreft het beroep op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 april 2005, USZ 2005/213 wijst de Raad erop dat het in die uitspraak ging om gevolgen van het overschrijden van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM bij de afdoening van een als “criminal charge” aan te merken fiscale boetezaak. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat de door appellant aangevallen uitspraken 1 en 2 voor bevestiging in aanmerking komen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de uitspraken van 23 maart 2005, 03/1407 en 03/1210.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en

H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.