Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
05-1779 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1779 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2005, 04/2695 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het

Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft dr. mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam,

hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007. Namens appellante is

- zoals tevoren was aangekondigd - niemand verschenen, terwijl het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door de heer E.G. van der Meer.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 25 augustus 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een eerder genomen besluit van

14 oktober 2002, waarbij het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 oktober 2002 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat zij geen redenen ziet om te twijfelen aan juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 30 oktober 2002. Uit arbeidskundig onderzoek blijkt dat appellante met de functies waarop de schatting is gebaseerd, en die door de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes in de bezwaarfase nogmaals zijn besproken en accoord bevonden, een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

In hoger beroep heeft appellante grotendeels hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd herhaald.

De Raad kan het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust geheel onderschrijven en maakt dat oordeel tot het zijne.

Naar aanleiding van hetgeen overigens door appellantes gemachtigde in hoger

beroep nog is aangevoerd, in het bijzonder de bij zijn brief van 12 maart 2007 gevoegde medische verklaringen, overweegt de Raad nog dat uit deze verklaringen, die dateren van eind 2004 en (ruim) daarna, niet volgt dat appellante op de in geding zijnde datum meer of anders beperkt moet worden geacht dan het Uwv heeft aangenomen.

De Raad merkt op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van

arbeidsongeschiktheid op 30 oktober 2002. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit kan slechts anders zijn indien die verslechtering - achteraf - een ander licht werpt op haar gezondheidstoestand ten tijde van de datum in geding. Hiervan is de Raad uit de beschikbare gegevens niet gebleken.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.