Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
10-05-2007
Zaaknummer
04-5011 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Passendheid functies eerst in hoger beroep deugdelijk onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5011 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 3 augustus 2004, 03/1233 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.G.M.G. Huntjens, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Namens appellant zijn inlichtingen verstrekt en zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Partijen - appellant met voorafgaand bericht - zijn niet verschenen.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 12 februari 2007 heeft het Uwv rapporten van zijn bezwaarverzekeringsarts en zijn bezwaararbeidsdeskundige met bijlagen ingezonden, strekkende tot nadere motivering van het bestreden besluit.

Bij brief van 27 februari 2007 zijn namens appellant de gronden van het hoger beroep andermaal aangevuld, onder meezending van zijn medisch dossier bij de huisarts.

Het Uwv heeft nadere informatie verstrekt en stukken ingezonden betreffende een besluit tot ophoging van appellants uitkering per 28 maart 2005 alsmede een besluit tot weigering terug te komen van het (primaire) besluit van 25 februari 2003.

Bij brief van 5 maart 2007 heeft het Uwv een commentaar van zijn bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Bij brief van 19 maart 2007 heeft appellants gemachtigde diens standpunt nader uiteengezet.

Hernieuwd onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich doen vertegenwoordigen door M. Wardenburg.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in april 2000 wegens klachten van tintelingen in armen en benen en klachten inzake wegrakingen uitgevallen voor zijn werkzaamheden als kassier/receptionist. Met ingang van 31 maart 2001 is hij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 25 februari 2003 is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid in het kader van de zogeheten eerstejaars herbeoordeling ongewijzigd vastgesteld op 25 tot 35%.

Bij besluit van 25 juli 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 februari 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat op grond van de beschikbare medische gegevens, te weten de bevindingen van de verzekeringsartsen van het Uwv en de informatie van de behandelend orthopedisch chirurg, neurologen en cardioloog, moet worden geoordeeld dat de medische beperkingen van appellant op de datum in geding juist zijn vastgesteld.

Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de van de zijde van het Uwv bij monde van de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch verstrekte reactie op een namens appellant ingebracht schrijven van 15 april 2004 van de assistent reumatoloog

dr. M. Starmans-Kool. Die reactie houdt in dat het feit dat in genoemd schrijven van

15 april 2004 nu een diagnose wordt genoemd, te weten een DISH (Diffuse Idiopatische Skeletale Hyperostose), niets aan de beperkingen en klachten van appellant verandert. De rechtbank oordeelde in dit verband voorts dat de door de assistent reumatoloog aangegeven beperkingen reeds in voldoende mate in het vastgestelde belastbaarheidsprofiel zijn meegenomen.

Ten slotte heeft de rechtbank zich ook kunnen stellen achter de bij de schatting als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies.

Namens appellant is in hoger beroep staande gehouden dat door de verzekeringsartsen van het Uwv onvoldoende rekening is gehouden met het gehele scala van zijn beperkingen. Appellant heeft namelijk naast genoemde klachten van tintelingen en wegrakingen ook gewrichtsklachten, hypertensie, hartklachten en psychische klachten. Volgens appellant is door de verzekeringsartsen ten onrechte nagelaten (nader) contact op te nemen met zijn huisarts en met meergenoemde assistent reumatoloog Starmans-Kool.

Appellant meent voorts dat ten aanzien van de bezwaarverzekeringsarts sprake is van een schijn van vooringenomenheid, in welk verband is aangevoerd dat die bezwaarverzekeringsarts eerder bij de primaire beoordeling betrokken is geweest.

Ten slotte is volgens appellant niet voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de bij de schatting gebruikte functies, ondanks daarbij voorkomende signaleringen, voor hem passend zijn te achten.

De Raad overweegt in de eerste plaats, naar aanleiding van hetgeen namens appellant naar voren is gebracht met betrekking tot de wijze van totstandkoming van de medische grondslag van het bestreden besluit, als volgt. De grief dat de bezwaarverzekeringsarts niet als volstrekt onpartijdig kan worden aangemerkt, althans dat sprake is van een schijn van vooringenomenheid, faalt reeds nu die grief een juiste feitelijke grondslag ontbeert. Anders dan appellant bij het formuleren van deze grief kennelijk heeft aangenomen, komt uit de gedingstukken niet naar voren dat de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch ook betrokken is geweest bij de advisering in de fase van de primaire besluitvorming. Het is de verzekeringsarts P. Meels die de beoordeling in de primaire fase voor zijn rekening heeft genomen. Voor zover appellant het oog heeft op de omstandigheid dat Kerbusch wel een rol heeft gespeeld bij de beoordeling van zijn aanspraken per datum einde wachttijd 31 maart 2001, merkt de Raad op dat niet valt in te zien dat die omstandigheid enige belemmering zou vormen voor die arts om in de onderhavige procedure, betreffende de aanspraken van appellant op uitkering per februari 2003, zonder vooringenomenheid als bezwaarverzekeringsarts op te treden.

Ook faalt de grief dat nog nader overleg nodig was met de huisarts van appellant en met de assistent reumatoloog Starmans-Kool. Er was ruim voldoende medische informatie beschikbaar, inbegrepen informatie afkomstig van de behandelend sector, voor een afgewogen oordeelsvorming. Appellant heeft ook niet kunnen concretiseren welke relevante medische informatie door de verzekeringsartsen van het Uwv zou zijn misgelopen.

Voorts kan de Raad zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank inzake de ten aanzien van appellant vastgestelde belastbaarheid. Appellant is ook in hoger beroep niet erin geslaagd aan de hand van concrete objectief-medische gegevens aannemelijk te maken dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. De verzekeringsartsen hebben, met name op locomotoir gebied, reeds verschillende beperkingen van toepassing geacht. Voor het aannemen van andere en/of meer beperkingen op de datum in geding ontbreekt een toereikend medisch substraat. Ook de latere ophoging van appellants uitkering per 28 mei 2005 biedt geen aanknopingspunten voor twijfel aan het vastgestelde belastbaarheidspatroon, nu die ophoging blijkens de ter zake dienende gegevens samenhangt met een - geruime tijd - na de in geding zijnde datum opgetreden toename van appellants klachten en beperkingen op het locomotoire vlak.

De Raad is aldus van oordeel dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld. Daarvan uitgaande, staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat de als grondslag voor de onderhavige schatting dienende functies terecht zijn aangemerkt als vallend binnen de mogelijkheden van appellant. De Raad heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 3 november 2006 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 7 november 2006.

Van de zijde van het Uwv is desgevraagd ter zitting aangegeven dat eerst met genoemde rapporten de passendheid van de functies deugdelijk is onderbouwd. De Raad sluit zich daarbij aan en verbindt daaraan als gevolg dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in rechte geen stand kan houden. Tevens bestaat evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.