Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
09-05-2007
Zaaknummer
06-1833 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1833 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 februari 2006, 05/636 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College)

Datum uitspraak: 8 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.J. Willekens, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willekens. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. N.M.H.A. van Hirtum, werkzaam bij de gemeente Helmond.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1991 bijstand, aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder, sedert mei 1997 naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van de anonieme melding dat appellante ongeveer drie jaar samenwoont met M.P.M. [naam partner] (hierna: [naam partner]), heeft het Bureau Sociale Recherche van de Dienst Samenleving en Economie van de gemeente Helmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd, is de Rijksdienst voor het Wegverkeer om inlichtingen verzocht, is een huisbezoek aan de woning van appellante gebracht, hebben appellante en [naam partner] verklaringen afgelegd en zijn diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 12 juli 2004. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 27 september 2004, voor zover hier van belang, de aan appellante verleende bijstand met ingang van 3 juni 2004 in te trekken en de over de periode van 3 juni 2004 tot en met 30 juni 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 960,13 (bruto) van appellante terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante, zonder daarvan aan het College mededeling te hebben gedaan, een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam partner].

Bij besluit van 19 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

27 september 2004 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de bijstand met ingang van 11 juni 2004 wordt ingetrokken en de over de periode van 11 juni 2004 tot en met

30 juni 2004 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 687,55 (bruto) van appellante worden teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

19 januari 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante en [naam partner] gedurende de hier van belang zijnde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. De Raad onderschrijft de door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht biedt geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten in vergelijking met hetgeen in beroep is aangevoerd, zodat daarin geen grond is gelegen om tot een ander oordeel dan de rechtbank te komen. De Raad merkt in dit verband nog op dat de WWB niet de eis stelt dat de gezamenlijke huishouding een bepaalde periode moet hebben geduurd alvorens als zodanig aangemerkt te kunnen worden. Ook de stelling van appellante dat de rechtbank ten onrechte niet van betekenis heeft geacht dat zij ten tijde hier van belang in verband met ziekte hulpbehoevend was en dat [naam partner] veel bij haar verbleef om haar te helpen, treft geen doel. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, dienen de aard van de relatie van betrokkenen, hun subjectieve beleving daaromtrent en het motief op grond waarvan zij (gaan) samenleven voor de toepassing van de WWB buiten beschouwing te blijven. De omstandigheid dat [naam partner] appellante daadwerkelijk geholpen heeft bij ziekte wijst er op dat appellante en [naam partner] zorg droegen voor elkaar.

Appellante heeft van de gezamenlijke huishouding met [naam partner] in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting aan het College geen mededeling gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellante over de periode van 11 juni 2004 tot en met

30 juni 2004 ten onrechte bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande. Appellante was immers geen zelfstandig subject van bijstand.

Het College was, gelet op het voorgaande, ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante met ingang van 11 juni 2004 in te trekken. Het College voert het beleid om in gevallen waarbij het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand, steeds tot intrekking van de bijstand over te gaan, tenzij sprake is van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad blijft dit beleid binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De Raad stelt voorts vast dat het College overeenkomstig dit beleid heeft beslist. Aangezien hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen oplevert en daarin evenmin bijzondere omstandigheden zijn gelegen om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van dat beleid af te wijken, heeft het College in redelijkheid kunnen besluiten tot intrekking van de bijstand met ingang van 11 juni 2004.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de kosten van de als gevolg van het besluit tot intrekking ten onrechte verleende bijstand. Ten aanzien van terugvordering voert het College het beleid om steeds bijstand terug te vorderen voor zover die bijstand ten onrechte is verleend, tenzij sprake is van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat deze beleidsregel de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten in het geval, zoals in deze zaak, sprake is van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting. De Raad stelt voorts vast dat het College overeenkomstig dit beleid heeft beslist. Aangezien uit hetgeen appellante heeft aangevoerd niet blijkt van dringende redenen en daarin evenmin bijzondere omstandigheden zijn gelegen om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van dat beleid af te wijken, heeft het College in redelijkheid kunnen besluiten tot volledige terugvordering van de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en

J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2007.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.