Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
05-2790 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Terugvordering van (gedeeltelijk) onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Omvang geding. Terugvordering en dringende reden. Invordering en beslagvrije voet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/295
USZ 2007/197 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2790 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 april 2005, 04/1211 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.J. Avis, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 november 2005 heeft mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M. Raaijmakers, kantoorgenoot van mr. Singh voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 26 juli 2002 (hierna: besluit 1) heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 6 maart 2002, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij besluit van 9 augustus 2002 (hierna: besluit 2) heeft het Uwv voorts een bedrag van € 2.986,73 (bruto) aan over de periode van 7 maart 2002 tot en met 31 juli 2002 ten onrechte verstrekte uitkering van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 11 maart 2003 heeft het Uwv de tegen de besluiten 1 en 2 namens appellant gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 12 februari 2004, 03/702, voor zover thans van belang, het namens appellant tegen het besluit van 11 maart 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

Bij besluit van 7 juni 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, appellant met ingang van 7 maart 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en het van appellant terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 1.987,82.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en heeft zich ook met het onderdeel van het bestreden besluit dat ziet op de terugvordering kunnen verenigen.

Appellant heeft in hoger beroep wat betreft de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid met name grieven van medische aard naar voren gebracht. Appellant acht zich geheel arbeidsongeschikt. Appellant heeft daarnaast grieven aangedragen met betrekking tot de terugvordering. Appellant meent primair dat hij geheel arbeidsongeschikt is en dat derhalve niet onverschuldigd is betaald. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat in zijn geval sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad als volgt. Het bestreden besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2004. De rechtbank heeft in die uitspraak als haar oordeel gegeven dat het besluit van 11 maart 2003 berustte op een onjuiste medische grondslag, nu ten aanzien van appellant ten onrechte niet was uitgegaan van een (medische) urenbeperking van 20 uur per week. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad appellants verdergaande betoog, namelijk dat hij op medische gronden geheel arbeidsongeschikt is, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad - verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 1 maart 2005 (LJN: AT0711) - van de juistheid van dit oordeel moet worden uitgegaan en deze grief, anders dan waar de rechtbank in de aangevallen uitspraak van is uitgegaan, thans niet meer ter beoordeling staat. Dit kan uitzondering leiden in het zich hier niet voordoende geval dat er sedert de uitspraak van 12 februari 2004 nieuwe medische gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant, zoals die in die uitspraak is beoordeeld.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellant de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellant voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

Voor zover appellant betoogt dat het arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest, nu appellant bij de voorbereiding van het thans bestreden besluit niet (nogmaals) persoonlijk is gezien of gehoord door een arbeidsdeskundige, overweegt de Raad het volgende. Voorafgaand aan het nemen van besluit 1 heeft de arbeidsdeskundige P. Slop appellant in een op 18 juli 2002 gehouden gesprek geïnformeerd over de arbeidskundige uitgangspunten van de toen voorgenomen schatting. Bij die gelegenheid zijn, blijkens het rapport van Slop van 18 juli 2002, een vijftal functies aan appellant voorgehouden. Als uitvloeisel van de uitspraak van de rechtbank van 12 februari 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe een nieuw arbeidskundig onderzoek ingesteld. Aan het door haar opgestelde rapport van 1 april 2004 ontleent de Raad dat de al eerder voorgehouden functies toen onverminderd passend zijn geacht voor appellant. Het Uwv heeft appellant bovendien voorafgaande aan het nemen van het thans bestreden besluit in de gelegenheid gesteld te reageren op eerdergenoemd rapport. Onder al deze omstandigheden ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit strijdig moet worden geacht met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.

De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de rechterlijke toets derhalve evenzeer doorstaan.

Hiermee staat vast dat het Uwv aan appellant over de periode van 7 maart 2002 tot en met 31 juli 2002 gedeeltelijk onverschuldigd uitkering heeft betaald. Op grond van artikel 57 van de WAO was het Uwv dan ook verplicht tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering over te gaan. Ingevolge artikel 57, vierde lid, van de WAO kan op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering worden afgezien.

Gelijk de Raad in eerdere uitspraken heeft overwogen - met name in zijn uitspraak van 21 maart 2001 (LJN: AB1440) - kan er van een dringende reden als bedoeld in artikel 57 van de WAO blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel slechts sprake zijn, indien terugvordering voor de verzekerde tot onaanvaardbare gevolgen zal leiden. Het moet dan derhalve gaan om een incidenteel geval waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de orde is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden dient te worden gemaakt.

In dit geval is de Raad niet gebleken van onaanvaardbare gevolgen voor appellant. Naar aanleiding van appellants betoog dat hij als gevolg van de terugvordering onder de beslagvrije voet zal raken, overweegt de Raad dat dit aspect eerst bij de beoordeling van de (wijze van) invordering aan de orde kan komen. De Raad tekent daarbij aan dat bij invordering de aflossingsbedragen zó worden vastgesteld dat de betrokkene altijd blijft beschikken over de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, zij het met verbetering van de gronden, nu immers het oordeel van de rechtbank beperkt had dienen te blijven tot de vraag of appellant, uitgaande van een urenbeperking van 20 uur per week, de geduide functies kon vervullen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.H. Broier.

MH