Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4540

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
05-3564 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Terugvordering voorschot. Overschrijding redelijke termijn 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3564 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2005, 04/2043 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 maart 2007 heeft mr. Hoebba medegedeeld niet ter zitting van de Raad te zullen verschijnen. In die brief heeft hij tevens een nadere toelichting op het hoger beroep gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 januari 2001 heeft het Uwv appellant in afwachting van de beslissing over zijn aanvraag om uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 28 augustus 2000 een voorschot toegekend.

Bij besluit van 16 mei 2002 is appellant een uitkering ingevolge de WAO met ingang van 28 augustus 2000 geweigerd omdat hij geschikt werd geacht voor zijn eigen werk.

Bij een tweede besluit van dezelfde datum is het voorschot op de uitkering ingetrokken met terugwerkende kracht tot 28 augustus 2000.

Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, destijds werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp Amsterdam West, tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 april 2004, kenmerk B&B/2002.61396 en 2002.61486, zijn de bezwaren van appellant tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard. Tegen dat besluit op bezwaar is geen beroep ingesteld.

Inmiddels had het Uwv bij besluit van 2 juli 2002 € 17.699,67 aan teveel betaalde uitkering ingevolge de WAO over het tijdvak van 28 augustus 2000 tot 1 mei 2002 van appellant teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft mr. Goettsch bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 5 juli 2002.

Bij besluit van 1 april 2004, kenmerk B&B/2002.63061, verder: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat in rechte is komen vast te staan dat aan appellant over het tijdvak van 28 augustus 2000 tot 1 mei 2002 een bedrag van € 17.669,67 aan arbeidsongeschiktheidsuitkering onverschuldigd is betaald. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit niet in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat er geen sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 57 van de WAO op grond waarvan het Uwv van terugvordering kan afzien.

In het aanvullend hoger beroepschrift heeft mr. Hoebba wat betreft de duur van de procedure een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951,154; 1990, 156 (EVRM).

In verband daarmee heeft mr. Hoebba verwezen naar de uitspraak van 11 maart 2005, 02/5750 WAO, LJN: AT1576. Hij heeft bepleit om, anders dan in genoemde uitspraak, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand te laten.

In zijn brief van 9 maart 2007 stelt mr. Hoebba dat toepassing van artikel 57 van de WAO in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel gelet op de inhoud van het besluit van 11 januari 2001, waarbij appellant het voorschot is toegekend en de inhoud van het besluit van 16 mei 2002, waarbij het voorschot met terugwerkende kracht is ingetrokken.

Mr. Hoebba heeft gesteld dat hieruit blijkt van een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan dat niet tot terugvordering zal worden overgegaan, omdat in die besluiten is gewezen op een latere verrekening met een of andere uitkering waarop appellant aanspraak zou hebben.

De Raad oordeelt als volgt.

Wat betreft het beroep op artikel 6 EVRM stelt de Raad vast dat appellant op 5 juli 2002 bezwaar heeft gemaakt tegen het primair terugvorderingsbesluit van 2 juli 2002 en dat de Raad in hoger beroep op 1 mei 2007 uitspraak doet.

Daarmee is gegeven dat deze procedure meer dan vier jaar en zeven maanden heeft geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden, waarbij in aanmerking is genomen dat deze zaak niet als complex is aan te merken en in de opstelling van appellant geen rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure.

Voorts stelt de Raad vast dat het door appellant ingediende bezwaarschrift van 5 juli 2002 heeft geresulteerd in het bestreden besluit van 1 april 2004. Het onderdeel van het Uwv in de gehele procedure is de periode van de bestuurlijke besluitvorming, die een jaar en ruim zeven maanden heeft geduurd.

Onder verwijzing naar hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn hiervoor vermelde uitspraak van 11 maart 2005, 02/5750 WAO, LJN: AT1576 stelt de Raad vast dat het hiervoor overwogene er toe leidt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd onder gegrond verklaring van het inleidend beroep en onder vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 EVRM.

Uit het aanvullend hoger beroepschrift blijkt niet van een op artikel 6 van het EVRM in verbinding met artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegronde vordering van vergoeding van materiële of immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure met betrekking tot het primaire terugvorderingsbesluit van 2 juli 2002.

Aangezien appellant geen schadevergoeding heeft gevorderd dient de Raad thans nog te bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat rechtens vaststaat dat het in het bestreden besluit genoemde bedrag onverschuldigd is betaald, nu tegen het besluit van 1 april 2004 geen beroep is ingesteld.

Ook de hoogte van het in het bestreden besluit genoemde bedrag is in deze procedure niet betwist en ook overigens de Raad niet onjuist voorgekomen.

Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Uwv op grond van artikel 57 van de WAO gehouden is hetgeen onverschuldigd is betaald ingevolge die wet terug te vorderen. Slechts in geval van dringende redenen is het Uwv ingevolge lid 4 van artikel 57 van de WAO bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen kunnen onder dringende redenen slechts begrepen worden specifieke bijzondere en uitzonderlijke omstandigheden, welke gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van de terugvordering voor de betrokkene.

Van dergelijke omstandigheden is de Raad in dit geval niet gebleken, waarbij de Raad aantekent dat ter zitting door mr. Clerx desgevraagd is verklaard dat appellant zich houdt aan de met hem overeengekomen aflossing van de schuld met € 50,- per maand.

De Raad overweegt dat de gang van zaken rond de afhandeling van appellants uitkeringsaanvraag, met inbegrip van de voorschotverlening en de intrekking daarvan met terugwerkende kracht, niet als een gevolg van de terugvordering kan worden aangemerkt.

Daarom kunnen bezwaren tegen die gang van zaken, die heel wel aan de orde hadden kunnen worden gesteld in een beroepszaak bij de rechtbank tegen het besluit op bezwaar met betrekking tot de weigering van uitkering en de intrekking met terugwerkende kracht van het verleende voorschot, niet als dringende redenen in de zin van artikel 57 van de WAO worden aangemerkt.

Ten slotte overweegt de Raad dat het beroep van mr. Hoebba op het rechtszekerheidsbeginsel moet falen. De Raad is niet gebleken van het bestaan van de door mr. Hoebba genoemde ondubbelzinnige schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan dat niet tot terugvordering zal worden overgegaan.

In verband hiermee overweegt de Raad dat in beide door mr. Hoebba genoemde besluiten de volgende zin is opgenomen:

"Als u een hoger bedrag aan voorschot heeft ontvangen dan wij kunnen verrekenen of als verrekening niet mogelijk is, dient u het te veel betaalde voorschot terug te betalen".

Naar het oordeel van de Raad kan daaruit bezwaarlijk een toezegging dat niet tot terugvordering zal worden overgegaan, worden afgeleid.

Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 132,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) P.H. Broier.

JL