Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4531

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
05/5415 NABW + 06/3474 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet inleveren inlichtingenformulier. Intrekking bijstandsuitkering per nieuwe datum wegens onbekende verblijfplaats.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5415 NABW

06/3474 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2005, 05/86 en 19 mei 2006, 05/5721,

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 20 maart 2007. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitvoerige weergave van de hier van belang zijnde relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de in rubriek I genoemde aangevallen uitspraken. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 12 april 2001 wordt de uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 1 december 2000 op de grond dat appellant het zogenoemde inlichtingenformulier over de maand november 2000 niet heeft ingeleverd.

Bij besluit van 4 januari 2005 wordt - voor zover hier van belang - het bezwaar voor zover gericht tegen het besluit van 12 april 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak van 15 juli 2005, 05/86, heeft de rechtbank - met bepaling omtrent griffierecht - het beroep tegen het besluit van 4 januari 2005 gegrond verklaard en dit besluit, voor zover aangevochten, vernietigd.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd (reg.nr. 05/5415 NABW).

Hangende het hoger beroep bij de Raad heeft het College naar aanleiding van de bovenvermelde uitspraak op 21 oktober 2005 een nader besluit op bezwaar genomen. Het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2001 is gegrond verklaard en het recht op bijstand wordt met ingang van 1 december 2000 hersteld.

Bij besluit van 6 maart 2006 is vervolgens het recht op bijstand van appellant beëindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 20 juli 2001 op de grond dat vanaf laatstgenoemde datum de verblijfplaats van appellant niet bekend is.

Bij de aangevallen uitspraak van 19 mei 2006, 05/5721, heeft de rechtbank het bij haar ingestelde beroep tegen het besluit van 21 oktober 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd (reg.nr. 06/3474 WWB).

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot het geding met reg.nr. 05/5415 NABW

Appellant kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen en heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven omtrent zijn verzoek om schadevergoeding.

De Raad volgt appellant in deze grief. Blijkens de gedingstukken heeft appellant bij de rechtbank op 21 maart 2005 een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding met een uitgebreide toelichting hierop ingediend. De rechtbank heeft hierover evenwel geen oordeel gegeven. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zijn oordeel geven ter zake van het verzoek van appellant om veroordeling tot schadevergoeding.

De Raad is van oordeel dat appellants verzoek om veroordeling tot schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt voor zover het de vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet uitbetaalde bijstand betreft. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Algemene bijstandswet wordt de bijstand per kalendermaand vastgesteld. Daarmee is de dag van de betaling niet concreet aangeduid. Nu er geen algemeen verbindende voorschriften gelden met betrekking tot de dag waarop de bijstand had moeten zijn betaald, neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat het juiste bedrag aan bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. In dit geval is de bijstand ten onrechte ingetrokken vanaf 1 december 2001. Dit betekent dat de eerste dag waarop over de niet tijdig betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd dient te worden vastgesteld op 1 februari 2002. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

Wat de overige door appellant opgevoerde schadeposten betreft is de Raad van oordeel dat deze niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen nu de Raad niet is gebleken van enig causaal verband tussen het besluit van 12 april 2001 en de door appellant gestelde schade.

Met betrekking tot het geding met reg.nr. 06/3474 WWB

Volgens vaste rechtspraak volgt uit de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb dat, indien naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank het bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar neemt, dit besluit door de hoger-beroepsrechter bij de beoordeling wordt betrokken. Overeenkomstig artikel 6:18, vierde lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb dient het betrokken bestuursorgaan van een dergelijk besluit mededeling te doen aan de hoger-beroepsrechter. De rechtbank, is dan niet (meer) bevoegd ten aanzien van een tegen dat besluit ingesteld beroep.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij zijn uitspraak van 19 mei 2006 niettemin op het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2005 beslist. Die uitspraak is derhalve onbevoegdelijk gedaan, zodat de Raad deze ambtshalve zal vernietigen.

De Raad is voorts van oordeel dat nu met het besluit van 21 oktober 2005 geheel aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen, dit besluit gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb niet bij zijn besluitvorming dient te worden betrokken. De Raad merkt hierbij nog op dat de door appellant opgeworpen grieven, die betrekking hebben op de intrekking van de bijstand vanaf 20 juli 2001 slechts aan de orde kunnen komen bij de beoordeling van het besluit omtrent de beëindiging van de bijstand van appellant met ingang van 20 juli 2001. Ter zitting van de Raad is gebleken dat omtrent deze intrekking inmiddels bij de rechtbank een procedure aanhangig is.

De Raad ziet ten slotte in beide gedingen geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten nu niet is gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

reg.nr. 05/5415 NABW

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding;

Verklaart het hoger beroep in zoverre gegrond;

Veroordeelt de gemeente Rotterdam tot vergoeding aan appellant van de wettelijke rente zoals aangegeven in rubriek II;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

reg.nr. 06/3474 WWB

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.E. Lysen.

BKH 170407