Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4520

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
06-145 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering. Vergelijking met andere functies, geen gelijke gevallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/145 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 28 november 2005, 04/1118 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen (hierna: college)

Datum uitspraak: 26 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten, juridisch adviseur te Hoogeveen, en door K. Portegies, werkzaam bij de gemeente Assen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1 november 1997 werkzaam in de functie van medewerkster Interne Zaken bij het directiesecretariaat van de dienst Werk bij de gemeente Assen. In 2002 heeft het college de bij de gemeente voorkomende functies aan de hand van een nieuw ingevoerd stelsel van organieke functies opnieuw gewaardeerd, met terugwerkende kracht tot 1 juli 2000. Bij de waardering is gebruik gemaakt van de Systeembeschrijving Integrale Methode voor Functiewaardering (hierna: IMF).

1.2. Op 24 april 2003 is de beschrijving van appellantes functie van secretarieel en administratief ondersteuner A vastgesteld. Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft het college onder bijvoeging van die functiebeschrijving aan appellante meegedeeld dat haar functie is gewaardeerd met een totaalscore van 26 punten voor de verschillende gezichtspunten, leidend tot indeling in salarisschaal 6.

1.3. Het besluit van 13 oktober 2003 is, voor zover hier van belang, gehandhaafd bij besluit van 15 april 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar grieven tegen de toegekende score van 1 punt voor het aspect aanvullende kennis gehandhaafd. Ook heeft appellante zich evenals in eerste aanleg nog op het gelijkheidsbeginsel beroepen.

3.2. Het college heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Gelet op hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd is in geschil de vraag of de toegekende score van 1 punt voor het aspect aanvullende kennis onhoudbaar is. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

4.1. Blijkens de IMF gaat het bij het bepalen van de score voor het gezichtspunt aanvullende kennis om de totale duur van de vereiste aanvullende beroepsopleiding en/of praktijkkennis. Bij een totale duur van 2 maanden tot 1 jaar wordt een score van 1 punt toegekend. Bij een totale duur van 1 tot 2 jaar bedraagt de score 2 punten. Anders dan appellante meent gaat het hierbij derhalve niet om specifieke werkervaring.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante er onvoldoende in geslaagd is aannemelijk te maken dat de benodigde aanvullende kennis niet binnen een periode van 2 maanden tot 1 jaar kan worden opgedaan.

4.2.1. De Raad overweegt daartoe in de eerste plaats dat, zoals ter zitting door het college is uiteengezet, appellante niet de functie van archivaris vervult en niet geacht wordt alle archiefwerkzaamheden zelf uit te voeren. Indien nodig, wordt appellante bijgestaan door een archiefmedewerker. Uitputtende kennis op het gebied van archiveren is dan ook niet noodzakelijk voor een goede functievervulling. Voorts heeft het college gewezen op het feit dat niet alle modules van de SOD I opleiding betrekking hebben op archiveren. De Raad, die geen aanleiding heeft aan de juistheid van de door het college gegeven uiteenzetting te twijfelen, is van oordeel dat daarmee voldoende duidelijk is dat voor een normaal goede functievervulling niet is vereist dat appellante de volledige opleiding SOD I dient te doorlopen. De op het zogenoemde mensblad bij de functiebeschrijving opgenomen toevoegingen van appellante betreffende de archivering - wat daar overigens ook van zij - kunnen de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

4.2.2. De Raad acht voorts van betekenis dat het college in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat voor de volledige opleiding SOD I tot 500 uur netto leertijd is voorgeschreven. In de tot de IMF behorende nadere uitleg bij het gezichtspunt aanvullende kennis is ten aanzien van de aanvullend benodigde theoretische kennis aangegeven dat netto leertijd wordt uitgedrukt in jaren, waarbij één jaar overeenkomt met 1600 uur. De Raad moet vaststellen dat zelfs indien het volgen van de volledige opleiding SOD I als vereiste voor een goede functievervulling wordt aangehouden, zoals door appellante betoogd, ook indien daarbij nog in aanmerking wordt genomen de aanvullende kennis, nodig voor het leren beheersen van specifieke automatiseringsprogramma’s, de voor de bepaling van het aantal punten voor het aspect aanvullende kennis relevante opleidingsduur niet uitkomt op meer dan één jaar.

4.2.3. De Raad is verder van oordeel dat de door appellante gemaakte vergelijking met de waardering van andere, in de aangevallen uitspraak met name genoemde, functies niet opgaat, omdat het hier niet gaat om gelijke gevallen, zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld. De door appellante in hoger beroep nog gemaakte vergelijking met de gelijknamige functie van een op de afdeling Bestuurlijk Juridische Zaken werkzame collega, gaat naar het oordeel van de Raad evenmin op, aangezien in de bij de beschrijving van die laatstgenoemde functie behorende uitwerking van de hoofdtaken extra taken zijn beschreven, te weten: de behandeling van aansprakelijkstellingen en van minder complexe vergunningaanvragen binnen de afdeling, die reeds een verschil in waardering kunnen rechtvaardigen. Ook in dit geval gaat het dus niet om gelijke gevallen.

5. De Raad acht gelet op het vorenstaande de in geding zijnde waardering niet onhoudbaar. Mitsdien moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

16.04