Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4480

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
06-5811 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Kweken en verhandelen van marihuana door partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5811 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 augustus 2006, 06/431 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F. de Leeuw, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2007. Voor appellante is verschenen mr. De Leeuw. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante en A. [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ontvingen ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Bij een aan [betrokkene] gericht en naar het adres van appellante en [betrokkene] verzonden besluit van 30 juli 2004 heeft het College de bijstand van appellante en [betrokkene] met ingang van 1 oktober 2003 ingetrokken. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 september 2004 heeft het College de kosten van de aan appellante en [betrokkene] verleende bijstand over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 mei 2004 tot een bedrag van € 4.781,99 van hen teruggevorderd. Daarbij heeft het College overwogen dat aan appellanten over deze periode ten onrechte bijstand is verleend omdat zij geen melding hebben gemaakt van het kweken en verhandelen van marihuana.

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 november 2005, reg. nr. 05/432, heeft de rechtbank het besluit van 22 februari 2005 wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit 13 september 2004 opnieuw ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 24 januari 2006 gegrond verklaard en dat besluit wegens strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe is overwogen dat het besluit van 30 juli 2004 formele rechtskracht heeft verkregen, zodat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd is tot terugvordering en voorts dat de wijze waarop het College van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt de haar toekomende terughoudende toetsing kan doorstaan.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet op de hoogte was van het besluit van 30 juli 2004 en dat dit besluit geen formele rechtskracht heeft verkregen. Zij heeft voorts aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van de activiteiten van [betrokkene].

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Indien gezinsbijstand is verleend naar de norm voor gehuwden en de bijstand wordt ingetrokken op een andere grond dan dat de betrokken personen niet langer zijn gehuwd of als zodanig worden aangemerkt, neemt de Raad als uitgangspunt dat de bekendmaking van het intrekkingsbesluit aan één van beide partners heeft te gelden als een bekendmaking aan beiden. De Raad ziet geen aanleiding daarvan in dit geval af te wijken. Onbetwist is dat appellante en [betrokkene] ten tijde van het besluit van 30 juli 2004 een gezamenlijke huishouding voerden en de stelling van appellante dat zij niet op de hoogte was van (de inhoud van) het besluit van 30 juli 2004 acht de Raad niet geloofwaardig.

De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene] heeft verklaard niet te kunnen lezen en schrijven en dat appellante hem helpt met zijn administratie en voorts dat het College bij een aan appellante en [betrokkene] gerichte brief van 10 september 2004 (nogmaals) heeft meegedeeld dat bij besluit van 30 juli 2004 de aan hen verleende bijstand met ingang van 1 oktober 2003 is ingetrokken.

Nu tegen het besluit van 30 juli 2004 geen bezwaar is gemaakt, staat in rechte vast dat de aan appellante en [betrokkene] verleende bijstand met ingang van 1 oktober 2003 is ingetrokken. Daarmee is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het College is derhalve bevoegd de kosten van de over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 mei 2004 ten onrechte verleende bijstand van appellante terug te vorderen. Aangezien de bijstand als gezinsbijstand is verleend kunnen de kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB gelezen in verbinding met artikel 59, eerste lid, van de WWB zowel van appellante als van [betrokkene] worden teruggevorderd en zijn zij ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de kosten van de ten onrechte verleende bijstand. Appellante kan zich derhalve niet met vrucht beroepen op onbekendheid met de handelwijze of activiteiten van [betrokkene].

Uit de Beleidsregels terugvordering en verhaal WWB Gemeente Venlo blijkt dat het College in gevallen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in beginsel steeds tot terugvordering overgaat en daarvan slechts afziet indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 125,-- of zich dringende redenen voordoen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten in het geval, zoals in deze zaak, de terugvordering van de kosten van bijstand het gevolg is van schending van de inlichtingenverplichting.

Het besluit van 24 januari 2006 is met het beleid van het College in overeenstemming waarbij de Raad betrekt dat appellante zich niet op dringende redenen heeft beroepen.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden die het College aanleiding hadden behoren te geven om, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in haar geval van dit beleid af te wijken. Dat appellante, zoals zij stelt, niet op de hoogte was van de handelwijze of activiteiten van [betrokkene] levert niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 24 januari 2006 in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt derhalve, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S. van Ommen.

RB0404