Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4478

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
06-633 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maximering van de loonsuppletie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/633 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 januari 2006, 05/975 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 19 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.L. Meeske en H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam geweest als assistent hoofd administratie op het Markland College te Oudenbosch. Op 1 juli 1999 is appellant werkloos geworden. Met ingang van die datum is hem een uitkering krachtens het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) toegekend naar een werkloosheid van 36,51 uren per week.

1.2. Op 1 oktober 1999 is appellant werkzaamheden gaan verrichten in dienst van de Stichting Thuiszorg West-Brabant gedurende 30 uren per week. Met ingang van die datum is hem loonsuppletie toegekend.

Nadat de arbeidsovereenkomst bij deze stichting per 1 mei 2003 was geëindigd, is hem met ingang van die datum een uitkering krachtens de Werkloosheidswet toegekend, berekend naar een werkloosheid van 30 uren per week.

1.3. Vanaf 24 mei 2004 is appellant werkzaamheden gaan verrichten bij Randstad Uitzendbureau gedurende 36 uren per week. Met ingang van die datum heeft de minister hem bij besluit van 29 oktober 2004 loonsuppletie toegekend. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, onder meer vanwege de daarbij toegepaste maximering van de uitkering.

Dit bezwaar is bij het bestreden besluit van 10 maart 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, vanwege onjuiste toepassing van artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3.1. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen. Het geschil spitst zich toe op het feit dat op de loonsuppletie een maximering is toegepast. Appellant stelt dat een medewerkster van het destijds namens de minister met de uitvoering van het BWOO belaste Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) hem vóór aanvang van zijn werkzaamheden bij Randstad telefonisch heeft bevestigd dat deze werkzaamheden zijn aan te merken als passende arbeid in het kader van de loonsuppletie. Zij heeft daarbij naar zijn zeggen geen melding gemaakt van de toe te passen maximering. Appellant beschikt echter niet over een schriftelijke bevestiging van deze telefonische mededeling.

3.2. In verweer heeft de minister gesteld dat appellant kennelijk een onjuist beeld heeft van de toepasselijke regelgeving. Indien al een telefoongesprek als door appellant aangevoerd zou hebben plaatsgevonden, maakt een eventueel daarbij gegeven bevestiging dat sprake was van passende arbeid geen verschil voor de toe te passen maximering van de loonsuppletie.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Vast staat dat appellant in 2004 zijn recht op loonsuppletie op grond van artikel 38 van het BWOO ontleent aan zijn betrekking bij het Markland College waaruit hij in 1999 werkloos werd. Vast staat voorts dat het bruto-inkomen van appellant uit het in 2004 aanvaarde uitzendwerk lager is dan het bruto bedrag aan uitkering ingevolge het BWOO waarop appellant recht zou hebben gehad wanneer hij werkloos zou zijn gebleven.

4.2. Ingevolge het veertiende lid van artikel 38 van het BWOO wordt voor de toepassing van dat artikel het brutoinkomen uit de nieuwe betrekking geacht niet lager te zijn dan het bedrag van de uitkering waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet werkloos zou zijn gebleven of geworden.

De Raad komt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot de conclusie dat de minister in dit geval een juiste toepassing heeft gegeven aan deze bepaling.

4.3. Daarbij merkt de Raad op dat uit de bewoordingen van deze bepaling ondubbelzinnig blijkt dat de maximering geldt bij iedere berekening van loonsuppletie en dat daarbij geen betekenis toekomt aan de vraag of de verrichte arbeid al dan niet passend kan worden geacht. Ook appellants onbekendheid met de maximeringsbepaling doet, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet af aan de verplichting van de minister om die bepaling toe te passen. De Raad merkt in dit verband nog op dat de minister, anders dan door appellant is gesteld, in de gegeven situatie niet gehouden was appellant uit eigen beweging te wijzen op het bestaan van de maximeringsbepaling. Dat appellant deze bepaling, die sinds 17 oktober 2001 in het BWOO is opgenomen (Staatsblad 2001, 449), niet kende is een omstandigheid die voor zijn risico behoort te blijven.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet, voorzover in hoger beroep aangevochten, worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) R.A. Huizer.

HD

16.04.