Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
04-3972 AW en 04-3973 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inwerkingtreding Honoreringsregeling 1999 (Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen) waarbij mogelijkheid om naast de ambtelijke aanstelling een vrije praktijk te voeren is komen te vervallen. Berekening referte-inkomen. Schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3972 AW en 04/3973 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellanten], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 18 juni 2004, voor zover betreffende 02/698 en 02/697 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 26 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007.

Daarbij zijn de zaken gevoegd met de soortgelijke zaak 04/3979 AW behandeld. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.I. van Gent, advocaat te ’s-Gravenhage. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Th. Snoek, advocaat te Amsterdam, en [betrokkene], werkzaam bij het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: AZG). Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellanten waren ten tijde hier van belang werkzaam als medisch specialist bij het AZG. Naast hun ambtelijke aanstelling voerden appellanten in het ziekenhuis een zogenoemde “vrije praktijk”, waarbij zij een zelfstandig declaratierecht hadden voor de behandeling van particuliere patiënten. Die declaraties werden verzonden en geïnd door het AZG, waarna de geïnde bedragen onder aftrek van kosten werden gestort op een rekening van de Stichting Centrale Inning van het Academisch Ziekenhuis Groningen (hierna: SCI). De SCI diende erop toe te zien dat die extra inkomsten overeenkomstig de vastgestelde verdelingsregeling werden uitbetaald aan de specialisten met een zelfstandig declaratierecht. Op basis van een overeenkomst tussen de SCI en het AZG zijn (ook) de administratieve werkzaamheden, noodzakelijk voor de uitbetaling van de aan de medisch specialisten toekomende honoraria, opgedragen aan het AZG. Van de geïnde bedragen werd ten behoeve van het AZG 21% ingehouden voor administratiekosten en compensatie voor - kort gezegd - de minder in rekening te brengen verpleegprijs. Daarnaast werd 10% ingehouden ten behoeve van een vereveningsfonds voor alle aan het AZG verbonden medisch specialisten.

1.2. Op 1 juni 1999 is de Honoreringsregeling 1999, neergelegd in hoofdstuk 14a van het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (hierna: RRAZ), in werking getreden. Die regeling houdt onder meer in dat per 1 juni 1999 voor academisch medisch specialisten nieuwe salarisschalen worden ingevoerd en dat de mogelijkheid om naast de ambtelijke aanstelling een vrije praktijk te voeren is komen te vervallen. Voor de medisch specialist wiens totale bruto jaarinkomen bij inwerkingtreding van de Honorerings-regeling hoger is dan het maximuminkomen dat hij kan genieten op basis van de voor hem geldende nieuwe schaal (inclusief toelagen verzwarende omstandigheden of

24-uursdiensten) is een overgangsregeling getroffen.

1.3. Die overgangsregeling, neergelegd in artikel 109.5 van het RRAZ, houdt in dat het bruto jaarinkomen van de medisch specialist van vóór 1 juni 1999 wordt gefixeerd en gedurende maximaal 5 jaar op dat niveau wordt gegarandeerd. Het verschil tussen het oude inkomen en het nieuwe salaris (dit laatste gebaseerd op een inschaling op het maximum van de voor de specialist geldende schaal plus eventuele toelagen) wordt daartoe gecompenseerd met een ambtelijke toelage (garantietoelage). Onder het oude inkomen wordt verstaan het ambtelijk inkomen en het bedrag dat de medisch specialist vóór 1 juni 1999 aan inkomsten uit particuliere honoraria gemiddeld ontvangen heeft in de jaren 1996/1997/1998, omgerekend naar ambtelijk inkomen.

1.4. Bij besluiten van 20 juni 2001 respectievelijk 23 oktober 2001 heeft het bestuur appellanten opnieuw ingeschaald met toepassing van hoofdstuk 14a van het RRAZ. Daarbij zijn appellanten ingeschaald op het maximum van de voor hen geldende salarisschaal en is aan hen met toepassing van artikel 109.5 van het RRAZ een garantietoelage toegekend als onder 1.3. bedoeld. Na bezwaar zijn deze besluiten gehandhaafd bij de bestreden besluiten van 21 juni 2002.

1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak deze bestreden besluiten in stand gelaten.

2. De grieven van appellanten in hoger beroep richten zich tegen de berekening van hun inkomsten uit particuliere honoraria (het referte-inkomen). Daarnaast stellen zij zich op het standpunt dat de invoering van de Honoreringsregeling voor hen zodanige nadelige gevolgen heeft dat het bestuur gehouden is hiervoor compensatie te bieden. In het bijzonder hebben appellanten gewezen op de als gevolg van het verliezen van hun ondernemersstatus opgetreden financiële schade in de fiscale sfeer.

3. Hieromtrent overweegt de Raad het volgende.

3.1. Berekening referte-inkomen.

3.1.1. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de inkomsten uit de particuliere honoraria niet juist zijn berekend. Zij menen dat onder ontvangen inkomsten uit particuliere honoraria ook moet worden begrepen de daarop ingehouden bedragen bedoeld onder 1.1., omdat naar hun mening die bedragen zeker hun ook toekwamen. Dit geldt zeker voor de inhouding van 10% ten behoeve van het vereveningsfonds, omdat met die bijdrage collega’s werden gecompenseerd die weinig of geen particuliere inkomsten konden genereren. Die bijdrage was dus bedoeld voor een onderlinge verdeling onder specialisten en het AZG kon daarop geen enkele aanspraak maken.

3.1.2. De rechtbank overwoog in de aangevallen uitspraak dat onder de inkomsten bedoeld in het eerste lid van artikel 109.5 RRAZ moet worden verstaan hetgeen destijds daadwerkelijk aan declaratie-inkomsten is ontvangen en dat daaruit logischerwijs volgt dat andere gelden, zoals de op die declaratie-inkomsten in mindering gebrachte percentages van 21% en 10%, daarvan - als niet daadwerkelijk genoten - geen deel kunnen uitmaken.

3.1.3. De Raad kan dit oordeel van de rechtbank onderschrijven. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 24 februari 2005, LJN AS8562, is de vaststelling van het referte-inkomen van belang voor de berekening van de garantietoelage. Het doel van die toelage is te voorkomen dat de betrokken specialist door het verlies van zijn praktijkinkomsten bij de invoering van de Honoreringsregeling er in inkomen op achteruit gaat. Een redelijke uitleg brengt dan ook met zich dat onder de inkomsten uit particuliere honoraria wordt verstaan: datgene waarop over de referteperiode daadwerkelijk aanspraak bestond. Appellanten hadden, gelet op de voorwaarden waaronder zij in het AZG een vrije praktijk uitoefenden, geen aanspraak op de door het AZG in te houden bedragen. Dit geldt niet alleen voor de 21% aan administratiekosten en compensatie, maar ook voor de 10% ten behoeve van het vereveningsfonds. De Raad merkt hierbij terzijde op dat deze voorwaarden in de uitspraak van de Raad van 3 augustus 2006, LJN AY6141, gewezen in zaken tussen enkele collega’s van appellanten en het bestuur, niet onaanvaardbaar zijn geacht. Het feit dat die gelden niet aan het AZG ten goede kwamen, maar aan andere specialisten, maakt een en ander niet anders. Van enige vorm van vrijwilligheid ten aanzien van de inhouding of rechtstreekse invloed op de besteding van de ingehouden bedragen was bij de individuele specialist geen sprake. Voorts is van de zijde van het AZG, door appellanten onbestreden, gesteld dat de toelagen die uit het vereveningsfonds aan specialisten zijn verstrekt, bij die specialisten in aanmerking zijn genomen bij hun inschaling op grond van de Honoreringsregeling.

3.2. Financiële schade.

3.2.1. Appellanten doelen hierbij op de financiële schade in de fiscale sfeer, welke zij hebben geleden door het verlies van de ondernemersstatus. Zo verloren appellanten hun zelfstandigenaftrek en de aftrek fiscale oudedagsreserve (FOR). Voorts verloren appellanten de compensatie voor autogebruik en werden de middelen uit onderneming overgeheveld naar hun privéinkomen en belast. Anders dan het geval was in de uitspraak van de Raad van 11 januari 2007, LJN AZ6744, gaat het hier niet om kosten die rechtstreeks verband houden met het ondernemerschap en die nu dus niet meer gemaakt worden, maar om schade, die rechtstreeks het gevolg is van de beëindiging van het ondernemerschap, waartoe de invoering van de Honoreringsregeling noopte, aldus appellanten.

3.2.2. Zoals de Raad reeds in zijn hiervoor aangehaalde uitspraken van 24 februari 2005 en 11 januari 2007 heeft overwogen, vormt de Honoreringsregeling de neerslag van overleg en onderhandelingen tussen vertegenwoordigers van academische ziekenhuizen en de daaraan verbonden medische specialisten omtrent de arbeidsvoorwaarden, waarbij over en weer sprake is geweest van geven en nemen. Ook volgde reeds uit de tekst van de in 1981 tot stand gekomen voorgangster van de huidige Honoreringsregeling dat op langere termijn volledige verambtelijking en uitsluiting van elke vorm van vrije praktijkvoering werd beoogd, zodat appellanten er niet op mochten vertrouwen dat de vrije praktijkvoering tot in lengte van jaren zou kunnen worden voortgezet.

3.2.3. Dat het vervallen van de ondernemersstatus financiële consequenties met zich zou brengen, was een voorzienbaar gevolg van het aan de Honoreringsregeling ten grondslag liggende Onderhandelaarsakkoord. Tot compensatie op dit punt hebben de bij dat akkoord betrokken partijen kennelijk geen aanleiding gezien. Van de door appellanten gestelde, maar overigens niet met bewijsstukken gestaafde, schade als gevolg van het beëindigen van de ondernemersstatus kan naar het oordeel van de Raad ook niet worden gezegd dat deze naar aard en omvang dermate uitzonderlijk - en dus onvoorzienbaar - was dat daarvoor aanvullende financiële compensatie geboden had moeten worden.

4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.A. Huizer.

HD

23.04