Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4473

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
06-979 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Besluit. Brief opgenomen in personeelsdossier.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2007-04-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/105
ABkort 2007/278

Uitspraak

06/979 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 januari 2006, 05/905 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 26 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, werkzaam bij de NPB. De minster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans, werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam bij de spoorwegpolitie. Op 27 januari 2003 heeft een incident plaatsgevonden, waarbij twee collega’s waren betrokken. Nadat de minister met betrekking tot dit incident het voornemen had kenbaar gemaakt om appellant een berisping op te leggen, heeft hij bij brief van 4 juni 2004 aan appellant meegedeeld daarvan af te zien. Tevens is aangegeven dat de minister de handelwijze van appellant niet goedkeurt, zodat dat handelen wordt aangemerkt als plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Appellant heeft hierop gereageerd door te stellen dat zijns inziens van plichtsverzuim geen sprake was maar dat hij, nu geen straf is opgelegd, de kwestie wil afsluiten. Daarbij vertrouwt appellant erop dat de stukken niet in zijn personeelsdossier worden opgenomen.

1.2. Bij brief van 14 juli 2004 heeft de minister appellant meegedeeld dat de brief van 4 juni 2004 aan zijn personeelsdossier is toegevoegd met toepassing van artikel 6, eerste lid, van het privacyreglement voor de persoonsregistratie Personeelsdossiers Korps landelijke politiediensten (hierna: privacyreglement) en daaruit niet zal worden verwijderd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 februari 2005 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de brief van 4 juni 2004, anders dan appellant heeft betoogd, aangemerkt moet worden als een ten aanzien van een ambtenaar genomen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat in die brief gedragingen van appellant expliciet worden aangemerkt als plichtsverzuim. De rechtbank heeft voorts overwogen dat dat besluit gegevens bevat die van belang zijn voor de loopbaan van appellant, zodat opneming daarvan in zijn personeelsdossier niet in strijd is met het privacyreglement.

3.1. Namens appellant is ook in hoger beroep betoogd dat de brief van 4 juni 2004 geen besluit is, maar een gewoon sturingsmiddel, zodat reeds om die reden opname in het personeelsdossier niet behoort plaats te vinden. Daarbij is er op gewezen dat in die brief is vermeld dat met appellant in het kader van een functioneringsgesprek zal worden teruggekomen op het incident, hetgeen overigens inmiddels ook is gebeurd. Verslagen van functioneringsgesprekken worden niet opgenomen in het personeelsdossier.

3.2. De minister heeft dit standpunt van appellant gemotiveerd weersproken. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze Raad van 18 mei 2006, LJN AX6392 en TAR 2006, 169, rechtsoverweging 4.1., is namens de minister voorts gesteld dat de mededeling dat een stuk wordt opgeborgen in het personeelsdossier in dit geval wel een besluit is nu toepassing is gegeven aan het privacyreglement.

4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het op de (destijds geldende) Wet persoonsregistraties gebaseerde privacyreglement kunnen in de registratie omtrent personen als appellant ten hoogste worden opgenomen onder meer: loopbaangegevens, bestaande uit beoordelingen, (on)tevredenheidsbetuigingen, Besluiten Koninklijke onderscheidingen, uitgereikte legpenningen, straffen, sollicitatiegegevens, gegevens met betrekking tot de loopbaanbegeleiding en andere gegevens van belang voor de loopbaan. De Raad is met de minister van oordeel dat de hier aan de orde zijnde brief van 4 juni 2004 onder deze omschrijving kan worden begrepen. Zo al geen sprake is van een ontevredenheidsbetuiging, dan kan die vaststelling toch ten minste worden aangemerkt als een gegeven dat van belang is voor de loopbaan.

In hetgeen namens appellant naar voren is gebracht, en ook in het feit dat inmiddels met appellant inderdaad in een functioneringsgesprek over het incident is gesproken, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit anders zou zijn.

4.2. De Raad deelt voorts het oordeel van de minister dat de beslissing van 14 juli 2004, nu daarbij toepassing is gegeven aan het privacyreglement, moet worden aangemerkt als een besluit bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waarbij het rechtspositionele belang van appellant rechtstreeks is betrokken. Het bezwaar daartegen is dus terecht ontvankelijk verklaard.

4.3. In hetgeen namens appellant naar voren is gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de minister van zijn in voormeld artikel 6 van het privacyreglement neergelegde bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken.

4.4. Ten overvloede merkt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 17 maart 2005, LJN AT3554 en TAR 2005, 82, nog op dat de brief van 4 juni 2004, nu daarin schriftelijk is vastgelegd dat appellant zich aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt, moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. In hetgeen namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding van deze jurisprudentie terug te komen. Nu appellant tegen dit besluit geen rechtsmiddel heeft aangewend, staat dit besluit vast.

5. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 april 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

16.04

Q