Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
05-2458 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medisch onderzoek en geselecteerde functies. Besluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2458 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 april 2005, 04/607 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. uit de Fles, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij het rapport van de bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove van 8 juni 2005 overgelegd.

Desgevraagd naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004

(LJN: AR4716 e.v.) heeft het Uwv op 1 september 2006 een nadere toelichting verstrekt.

De gemachtigde van appellant heeft op 21 februari 2007 nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2007.

Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.F. Vogel, kantoorgenoot van de gemachtigde van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was werkzaam als koerier/administratief medewerker toen hij zich op 23 juli 1992 ziek meldde als gevolg van rug-, maag- en pijnklachten in het rechterbeen. Na afloop van de wettelijke wachttijd werd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de beoordeling van de voortzetting van deze uitkering is appellant op 15 april 2003 onderzocht door de verzekeringsarts R. Ponsioen. Blijkens haar rapport van dezelfde datum achtte Ponsioen na lichamelijk en psychisch onderzoek een neurologische expertise aangewezen, welke op 16 juni 2003 werd verricht door de neurochirurg dr. P.H.J.M. Elsenburg. Bij zijn onderzoek, waarbij Elsenburg ook verwees naar de resultaten van onderzoek in het verleden, vond Elsenburg geen neurologische afwijkingen en vermeldde hij in zijn rapport van 31 juli 2003 de volgende conclusie: “Chronisch recidiverende lumbago met pseudoradiculaire uitstraling naar de benen zonder aantoonbaar neurologisch substraat”. Om deze reden zag Elsenburg geen aanleiding om appellant beperkingen op te leggen voor arbeid. Naar aanleiding van deze expertise noteerde de stafverzekeringsarts A. Wever op 13 augustus 2003 met pen op bladzijde vier van het rapport van Ponsioen dat er geen aanleiding is om beperkingen voor de rug te stellen en dat bij appellant, bij wie er volgens het onderzoek van Ponsioen ook psychische klachten zijn, moet worden gesproken van een somatisatiestoornis. Om deze reden achtte Wever appellant beperkt voor conflicthantering, conflicterende functie-eisen en piekbelasting. De bevindingen van Wever werden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 augustus 2003. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van 4 november 2003 selecteerde de arbeidsdeskundige

P. de Jongh blijkens zijn rapport van 13 november 2003 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van de middelste van de drie hoogst belonende functies, het verlies aan verdienvermogen op 11,38%. Vervolgens nam het Uwv het primaire besluit van 21 november 2003, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten met ingang van 20 januari 2004 werd ingetrokken.

In de bezwaarprocedure, waarin de gemachtigde van appellant klaagde dat geheel voorbij was gegaan aan diens depressieve klachten, legde deze informatie over van de oud-huisarts en de huisarts van appellant van 30 december 2003 en 16 maart 2004, alsmede van een gezondheidszorgpsycholoog van de Symfora groep te Almere van 2 april 2004. De in rubriek I van deze uitspraak reeds vermelde bezwaarverzekeringsarts Ten Hove besprak in haar rapport van 15 april 2004 alle beschikbare medische informatie vanaf 1993. Volgens Ten Hove komt hieruit naar voren dat wel een dysfunctie van de wortel L5-S1 werd geobjectiveerd, maar dat dit blijkens neurologisch onderzoek niet tot uitvalverschijnselen heeft geleid, zodat een directe relatie met de rugklachten van appellant niet is aangetoond. Voorts gaf Ten Hove aan dat er bij appellant naast somatisatie ook sprake was van recidiverende depressieve klachten, welke ook tijdens de hoorzitting bleken. Volgens Ten Hove kwam op de hoorzitting naar voren dat sprake is van initiatiefverlies en verminderde zelfverzorging en dat de echtgenote van appellant hem moet aanzetten tot de zogenoemde ADL-handelingen. Ten Hove concludeerde dat de FML aanpassing behoefde ten aanzien van onder andere het handelingstempo dat door de depressie vertraagd zou zijn. Vervolgens is op eveneens 15 april 2004 de FML blijkens de eerste pagina gewijzigd door de verzekeringsarts H. Kupecz en werd een aantal extra beperkingen opgenomen in de rubrieken 1 en 2 (persoonlijk en sociaal functioneren), maar werd geen specifieke beperking voor het handelingstempo geformuleerd. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 29 april 2004 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond met dien verstande dat de intrekking de WAO-uitkering van appellant betrof.

In het aanvullend beroepschrift heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat het tegenstrijdig is om in de bezwaarprocedure zonder nader onderzoek wel psychische klachten aan te nemen, maar de rugklachten te passeren. In reactie hierop wees Ten Hove op 3 augustus 2004 op de expertise van Elsenburg. In dit verband legde de gemachtigde van appellant nog informatie van de behandelend reumatoloog Ph.A. van Pelt van 24 mei 2004 over, die na lichamelijk onderzoek concludeerde tot kenmerken van artrose en tevens hypertonie van de spieren bij uitgebreide voorgeschiedenis, en van de huisarts van 2 augustus 2004. In de beroepsprocedure is door partijen voorts uitgebreid gedebatteerd, ook na heropening van het onderzoek na de zitting op 15 december 2004 met het oog hierop door de rechtbank, over de vraag of de door Ten Hove in haar rapport van 15 april 2004 geformuleerde beperking ten aanzien van het handelingstempo op juiste wijze in de gewijzigde FML is verwerkt door in plaats van het formuleren van een beperking bij het onderdeel handelingstempo beperkingen op de onderdelen 1.5.5 (anderszins beperkt in doelmatig handelen) met de toelichting “initiatiefverlies, moet aangespoord worden en voert dan wel de handelingen uit” en 1.9.3 (werk onder rechtstreeks toezicht en/of onder intensieve begeleiding) aan te nemen met de toelichting “redelijk begeleiding ter aansporing, niet voortdurend”, een en ander mede in het licht van de vraag of de psychische beperkingen van appellant en de wijze van verwoording daarvan zich verhouden tot de belastende aspecten in de geselecteerde functies.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 29 april 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond. Zij onderschreef de medische grondslag van het bestreden besluit. Zij zag in de in beroep overgelegde informatie van de reumatoloog en de huisarts geen aanleiding voor een ander standpunt omtrent de belastbaarheid van appellant. Voorts stemde de rechtbank in met de uitleg van Ten Hove in haar rapport van 4 januari 2005 dat appellant met name beperkt is ten aanzien van initiatief nemen, dat appellant bij geregelde aansporing tot een normaal handelingstempo kan komen en dat ter voorkoming van een sterk verhoogd handelingstempo een beperking is aangegeven ten aanzien van deadlines en productiepieken. Ten slotte onderschreef de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

In hoger beroep hebben partijen hun standpunten omtrent de verwerking van de eerder vermelde beperking ten aanzien van het handelingstempo in de FML in essentie herhaald.

De Raad stelt wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit in de eerste plaats voorop dat het tot de deskundigheid van de (bezwaar)verzekeringsarts behoort om uit het geheel van medische onderzoeksbevindingen beperkingen voor de betrokkene af te leiden. Hiervan uitgaande dient een aangenomen beperking zonodig wel te voldoen aan het vereiste van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad vanwege het niet tevens opnemen in de gewijzigde FML van een beperking ten aanzien van het handelingstempo, terwijl een beperking op dit onderdeel wel door Ten Hove was vastgesteld, daarvan geen sprake. De Raad stelt vast dat uitsluitend op basis van de hiervoor weergegeven verklaring van appellant ter hoorzitting op 30 maart 2004 en van de indruk, die Ten Hove volgens haar rapport van 4 januari 2005 kreeg op die hoorzitting, namelijk dat appellant niet een man is die stil in een hoekje zit en niet tot actie aangespoord kan worden, is geconcludeerd tot de hiervoor vermelde invulling van de beperking ten aanzien van het handelingstempo. De Raad acht het evenwel onaannemelijk dat enkel op basis van een verklaring van appellant en een indruk bij Ten Hove, derhalve zonder nader medisch onderzoek in de bezwaarprocedure dan wel zonder nader overleg met de behandelend sector over de reikwijdte van de uit de psychische klachten van appellant voortvloeiende beperkingen, tot een differentiatie in de FML van de vastgestelde beperking ten aanzien van het handelingstempo kan worden gekomen als door Kupecz is geformuleerd. Voorts is het de Raad opgevallen dat Ten Hove in haar rapport van 4 januari 2005 spreekt van een beperking ten aanzien van deadlines en productiepieken zonder vermelding van de aan die beperking afdoende kwalificatie “veelvuldig” als genoemd in de gewijzigde FML. Verder is naar het oordeel van de Raad onvoldoende duidelijk gebleven hoe de psychische beperkingen van appellant, hoe dan ook verwoord in de FML, zich uiteindelijk verhouden tot de belastende factoren in de geduide functies. Een en ander spreekt naar het oordeel van de Raad nog te meer, nu in hoger beroep van de zijde van appellant het besluit van het Uwv van

13 september 2005 is overgelegd, waarbij naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op

16 februari 2005 aan appellant met ingang van 16 maart 2005 een volledige WAO-uitkering is toegekend. In het met dit besluit tevens overgelegde arbeidskundig rapport van 9 september 2005 is immers aangegeven dat in een overleg met de verzekeringsarts alle functievoorbeelden als niet passend zijn verworpen. Met name, aldus dit rapport, verhindert een noodzakelijke begeleiding ter aansporing in combinatie met de overige beperkingen van appellant in het persoonlijk en sociaal functioneren functieduiding.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd en derhalve dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eenzelfde lot treft de aangevallen uitspraak. Het Uwv dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,-.

II. BESLISSING

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.J. Janssen.