Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
07-05-2007
Zaaknummer
05-557 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/557 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 22 december 2004, 03/312 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Volbeda, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante, geboren [in] 1979, is werkzaam geweest als leidster kinderopvang en is op 17 oktober 2000 uitgevallen wegens vermoeidheidsklachten. Vervolgens heeft per einde wachttijd een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). In dat verband heeft de verzekeringsarts A.J. Hoffman, nadat hij appellante had onderzocht, op 24 augustus 2001 rapport uitgebracht waarin hij tot de conclusie is gekomen dat appellante als gevolg van haar vermoeidheidsklachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een zogenoemd FIS-patroon opgesteld. Op 31 oktober 2001 heeft de arbeidsdeskundige F. Mulder rapport uitgebracht, waarin hij tot de conclusie is gekomen dat appellante nog geschikt is voor een aantal functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met het rapport van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 27 november 2001 appellante meegedeeld dat zij na afloop van de wachttijd niet in aanmerking kwam voor een WAO-uitkering omdat zij geschikt werd geacht voor gangbaar werk.

In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Ter ondersteuning van haar standpunten heeft zij medische informatie uit de behandelende sector ingebracht.

Op 7 november 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten rapport uitgebracht en in dit rapport de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige I.W.T. Siemerink is in zijn rapport van

30 december 2002 tot de conclusie gekomen dat een aantal in de primaire fase geselecteerde functies, waaronder één die aan de schatting ten grondslag is gelegd, niet aan de actualiseringseis voldoet. Om deze reden heeft hij een nieuwe schatting verricht, waarbij hij tot een mate van arbeidsongeschiktheid is gekomen van (wederom) minder dan 15%. Bij besluit van 23 januari 2003 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar, waarbij zij nog meer informatie uit de behandelende sector heeft ingebracht.

In beroep is appellante op verzoek van de rechtbank door de revalidatiearts J.H.C. Vorsteveld onderzocht. In zijn rapport van 22 maart 2004 heeft hij zich in grote lijnen kunnen verenigen met de door het Uwv voor appellante in het FIS-patroon vastgestelde belastbaarheid met dien verstande dat zij naar zijn mening niet meteen volledig moest gaan werken en dat zij bij werkhervatting goed begeleid moest worden. Voorts heeft hij onder meer te kennen gegeven dat hij appellante geschikt acht voor de geselecteerde functies met uitzondering van de functie van assembleerder auto-onderdelen.

Dit rapport is voor de bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben aanleiding geweest om in zijn rapport van 14 april 2004 alsnog een urenbeperking van 2 uur per dag voor appellante aan te nemen waarna de bezwaararbeidsdeskundige M.M. Arts in haar rapport van 24 mei 2004 met inachtneming van deze urenbeperking een nieuwe schatting heeft verricht. Daarbij heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op 25-35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2004 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 november 2001 alsnog gegrond verklaard en appellante meegedeeld dat zij met ingang van 16 oktober 2001 in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.

De rechtbank heeft met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het nadere besluit van 4 juni 2004 in het onderhavige geding betrokken.

De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak, onder bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 23 januari 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 4 juni 2004 heeft de rechtbank ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan het voormelde rapport van de deskundige Vorsteveld.

Tegen die uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld, voorzover de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juni 2004 ongegrond heeft verklaard. Onder verwijzing naar de eerdere in de procedure naar voren gebrachte grieven is zij primair van mening dat zij om medische redenen in het geheel niet in staat is om te werken. Subsidiair is zij van mening dat de verzekeringsartsen onvoldoende beperkingen hebben aangenomen.

Bij schrijven van 26 februari 2007 heeft appellante nog nadere medische informatie ingebracht.

De Raad staat thans voor de beantwoording van de vraag of het besluit van 4 juni 2004 op goede gronden berust.

Voor wat betreft de medische component van dit besluit is de Raad van oordeel dat beslissende betekenis moet worden toegekend aan het voormelde rapport van de als deskundige geraadpleegde revalidatiearts Vorsteveld. De Raad is van oordeel dat deze deskundige, die betrokkene heeft gezien en bij zijn onderzoek de beschikking had over alle op dat moment voorhanden zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek op zijn vakgebied heeft ingesteld en daarvan op nauwkeurige wijze verslag heeft gedaan. De Raad ziet, gelet op alle gegevens, dan ook geen reden om in het onderhavige geval af te wijken van het in ’s Raads vaste jurisprudentie besloten liggende beginsel dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd.

Zoals uit het vorenstaande blijkt heeft deze deskundige zich in grote lijnen kunnen verenigen met de voor appellante in het voormelde FIS-patroon vastgestelde belastbaarheid met dien verstande dat hij appellante niet geschikt achtte om meteen voor hele dagen te gaan werken en dat werkhervatting diende plaats te vinden onder begeleiding. Voor het Uwv is dit standpunt aanleiding geweest de voor appellante vastgestelde belastbaarheid te wijzigen in die zin dat voor appellante alsnog een urenbeperking werd vastgesteld. Vervolgens is met achtneming van deze urenbeperking een nieuwe schatting verricht, wat heeft geresulteerd in het besluit van 4 juni 2004. Dit besluit is, voor wat betreft de medische component, in overeenstemming met het rapport van Vorsteveld. Het standpunt van appellante dat Vorsteveld heeft aangegeven dat de FIS-score een te rooskleurig beeld geeft, deelt de Raad niet. Bij zijn opmerking over het “ te rooskleurig beeld ” verwijst Vorsteveld naar gedingstuk 54, de functie-omschrijving en niet naar de FIS-score. Voorts heeft hij ook ten aanzien van de verwoording belastbaarheid (gedingstuk 52) aangegeven dat hij hiermee akkoord kan gaan. Dit brengt de Raad, gelet op het vorenstaande, tot de conclusie dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. De door appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie heeft de Raad niet doen twijfelen aan deze conclusie.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv de geschiktheid van appellante voor de thans aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft aangetoond. Volledigheidshalve voegt de Raad hier aan toe dat de door Vorsteveld voor appellante ongeschikt geachte functie van assembleerder auto-onderdelen niet meer ten grondslag is gelegd aan de thans nog in geding zijnde schatting.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2007.

(get.) R.C. Stam .

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.