Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4404

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
04-6332 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/6332 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2004, 03/2542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant bij brief van 5 januari 2005 laten weten dat de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) geen aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het besluit in te sturen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Voor appellant is verschenen mr. F.A. Put. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Bij brief van 16 november 2006, met als bijlage een brief van betrokkene van

15 november 2006, heeft de gemachtigde van betrokkene de Raad verzocht om over te gaan tot heropening van het onderzoek. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 3 januari 2007 heeft appellant gereageerd op de brief van betrokkene van

16 november 2006. Appellant heeft daarbij een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 22 december 2006 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige

J. den Hartog van 10 november 2006, voorzien van bijlagen, overgelegd.

Bij brief van 16 januari 2007 heeft betrokkene nog enkele stukken ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een hernieuwd onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene was laatstelijk werkzaam als projectmedewerkster/medewerkster informatievoorziening en is in augustus 1997 voor deze werkzaamheden uitgevallen vanwege een postnatale depressie en de ziekte van Werlhof. Betrokkene ontving met ingang van 24 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Op 11 april 2003 is betrokkene in het kader van een zogenoemde vijfdejaars herbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts F. Dekker. Dekker noteerde in zijn rapport van dezelfde datum als klachten idiopathische trombocytopenische purpura (ITP), rugklachten alsmede een oogaandoening. In verband hiermee formuleerde hij een aantal beperkingen die hij vastlegde in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van eveneens 11 april 2003. Op basis hiervan en met behulp van het zogeheten Claim Beoordeling- en Borgingssysteem (CBBS) berekende de arbeidsdeskundige L.J. van Leeuwenkanp in haar rapport van eveneens 7 mei 2003, uitgaande van de middelste van de drie hoogst verlonende van de door haar geselecteerde acht functies, het verlies aan verdiencapaciteit op 20,67%. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 14 mei 2003 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 8 juli 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

In de bezwaarfase heeft de gemachtigde van betrokkene in het aanvullend bezwaarschrift van 9 juli 2003 en in de op de hoorzitting van 23 september 2003 overgelegde pleitnota een groot aantal bezwaren tegen de opgestelde FML naar voren gebracht. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij ook beperkt is wat betreft hand- en vingergebruik, aangezien zij haar vingers na aanspanning niet goed van de buigstand in een rechte stand kan brengen. Tijdens die hoorzitting heeft betrokkene haar klachten nader toegelicht en onder andere melding gemaakt van onwillekeurige spiersamentrekkingen in de handen. Betrokkene gaf aan dat zij voor deze klachten was doorverwezen naar een neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft in zijn rapport van 29 september 2003, aangegeven dat Dekker de belastbaarheid van betrokkene grotendeels juist had weergegeven. De in bezwaar aangevoerde klachten konden naar het oordeel van Admiraal echter voor het overgrote deel niet worden verklaard vanuit de bij betrokkene bekende stoornissen, zodat uit die klachten geen arbeidsbeperkingen voortvloeiden. Admiraal achtte met name geen noodzaak aanwezig voor een urenbeperking. Wel zag hij aanleiding de FML aan te passen in verband met de lichte visuele beperking van betrokkene.

Bij besluit van 1 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het tegen het besluit van 14 mei 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft zij, samengevat weergegeven, overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 29 september 2003 ten onrechte niet nader heeft gemotiveerd op grond waarvan hij ervan heeft afgezien nadere informatie op te vragen bij de neuroloog. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat betrokkene bij gelegenheid van de hoorzitting uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat zij vanwege klachten aan haar handen en vingers is doorverwezen naar een neuroloog met welke zij op 25 september 2003 een afspraak had. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte appellant over onvoldoende onderzoeksgegevens om op een zorgvuldige wijze de belastbaarheid van betrokkene te kunnen heroverwegen. Zij achtte de medische grondslag van het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van deze uitspraak bestreden. Appellant heeft uiteengezet dat is gehandeld in overeenstemming met de Verzekeringsgeneeskundige Standaard 'Communicatie met behandelaars' (Tica-mededeling M. 97.04 van

14 januari 1997) en benadrukt dat geen aanleiding bestond tot het inwinnen van informatie bij de neuroloog van betrokkene. Appellant heeft in dat verband verwezen naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal van 19 oktober 2004, waarin deze aangaf dat betrokkene op de hoorzitting hoofdzakelijk arbeidsongeschiktheid claimde vanwege fybromyalgieklachten en oogklachten. Admiraal meende te hebben kunnen varen op zijn eigen oordeel, inhoudende dat aard en ernst van de klachten betreffende handen en vingers geen arbeidsbeperkingen meebrachten. Dit te meer daar er op de datum in geding geen sprake was van een - op handen zijnde - behandeling, welke een beduidend effect zou hebben op de arbeidsmogelijkheden van betrokkene en betrokkene evenmin had gesteld dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend standpunt had over haar beperkingen.

Betrokkene heeft zich in het verweerschrift, kort samengevat, geschaard achter het oordeel van de rechtbank en daarnaast haar reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren van medisch-inhoudelijke en arbeidskundige aard herhaald. In dat verband heeft betrokkene verwezen naar de - in rubriek I reeds aangehaalde - uitspraken van de Raad

9 november 2004. Ter zitting bij de Raad heeft betrokkene haar grief, dat appellant bij de functie van verkoper groothandel (SBC-code 317012) een onjuiste reductiefactor zou hebben gehanteerd, laten vallen.

De Raad overweegt als volgt.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft vooropgesteld, dient een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. Volgens vaste jurisprudentie - verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 3 februari 2004, LJN: AO5188, gepubliceerd in USZ 2004/105 - kan het niet inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelend arts(en) meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet, maar het niet inwinnen van deze informatie brengt niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek als onzorgvuldig moet worden beoordeeld.

Bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is toepassing gegeven aan de Verzekeringsgeneeskundige Standaard 'Communicatie met behandelaars'. In het (hoger) beroepschrift heeft appellant de hoofdlijnen van deze standaard beschreven en verantwoording afgelegd over de wijze waarop de standaard in het geval van betrokkene is toegepast. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen - verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 1 april 2003, LJN: AL1600 gepubliceerd in RSV 2003/162 - is de Raad van oordeel dat, wanneer deze standaard wordt nageleefd, in beginsel voldaan wordt aan het zorgvuldigheidsvereiste.

De Raad ziet geen grond om te oordelen dat appellant in dit geval, in afwijking van de standaard, informatie had behoren in te winnen bij de neuroloog van betrokkene. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat betrokkene op 11 april 2003 ten overstaan van de verzekeringsarts Dekker geen melding heeft gemaakt van de meergenoemde klachten aan haar handen en vingers, terwijl uit een in bezwaar overgelegde brief van de huisarts van betrokkene van 26 mei 2003 evenmin blijkt dat op dat moment sprake was van zodanige klachten. Voorts heeft de Raad in ogenschouw genomen dat betrokkene op 8 juli 2003, de datum in geding, niet onder behandeling stond van de neuroloog en dat nadien alleen sprake is geweest van een eenmalig consult met de neuroloog, zonder dat dit is uitgemond in enig behandelvoorstel. Onder deze omstandigheden en mede gelet op de ter hoorzitting door betrokkene vooropgestelde claimklachten als hiervoor vermeld, kon en mocht appellant naar het oordeel van de Raad menen zonder nadere informatie over voldoende en volledige medische gegevens te beschikken om op verantwoorde wijze een inschatting van de belastbaarheid van betrokkene te kunnen maken. De Raad is mitsdien van oordeel dat de door de rechtbank gebezigde vernietigingsgrond niet houdbaar is, zodat het hoger beroep van appellant slaagt.

De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden verwezen.

In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek, bestaat er naar het oordeel van de Raad geen twijfel over de juistheid van de door appellant ten aanzien van betrokkene vastgestelde beperkingen. De in beroep en in hoger beroep ingezonden medische gegevens, waaronder een brief van de neuroloog

C. Jansen van 20 oktober 2003, geven de Raad onvoldoende aanwijzingen voor de veronderstelling dat de medische beperkingen van betrokkene ten tijde in geding zijn onderschat. In dat verband merkt de Raad op dat Jansen weliswaar concludeerde dat er waarschijnlijk sprake is van een thoracic outletsyndroom bij (een) gegeneraliseerd spierklachtenpatroon, waarvoor hij houdingstherapie aanbeval, maar daarbij tevens aantekende dat hij bij onderzoek geen tekenen waarnam van zwakte van de intrinsieke handmusculatuur. Het door de gemachtigde van betrokkene op 16 januari 2007 overgelegde journaal van de huisarts, dat vermeldt dat betrokkene op 28 juli 2003 met klachten van trillingen van de handen en het lichaam de huisarts bezocht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De huisarts vermeldt immers hieromtrent geen nadere bevindingen.

Met betrekking tot de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad, mede gelet op het verweerschrift in hoger beroep, het volgende.

De mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is bepaald met behulp van het CBBS. Ten aanzien van dit systeem heeft de Raad in zijn - meergenoemde - uitspraken van

9 november 2004 overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om het CBBS niet in beginsel aanvaardbaar te achten maar dat er, omdat dit systeem een aantal onvolkomenheden bevat, hoge eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde uitgangspunten.

In reeds lopende zaken zal het bestreden besluit vernietigd dienen te worden indien niet uiterlijk daarbij aan die eisen wordt voldaan. In het geval dat in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep een bestreden besluit dat vóór 1 juli 2005 is genomen, alsnog wordt voorzien van de ontbrekende toelichting, onderbouwing of motivering, kan er aanleiding zijn om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad stelt vast dat eerst naar aanleiding van een vraag van de rechtbank een toelichting op mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene in de geduide functies is gegeven. In zijn rapport van 10 augustus 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog nader gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, ondanks de vastgestelde beperkingen, de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaan. Daarbij is Den Hartog ingegaan op zowel de niet-matchende als op de matchende beoordelingspunten. Ter zitting bij de Raad heeft appellant aangegeven dat de functie van keukenverkoper (SBC-code 517061) niet langer aan de schatting ten grondslag wordt gelegd. Volgens appellant heeft dit evenwel geen gevolgen voor de bij het bestreden besluit vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft ter toelichting van dit standpunt verwezen naar het na heropening van het onderzoek door appellant op 3 januari 2007 ingezonden rapport van Den Hartog van

10 november 2006, waarin is aangegeven dat daardoor de onderhavige schatting uiteindelijk berust op functies uit vier SBC-codes.

Naar het oordeel van de Raad zijn de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geduide functies met de in beroep en in hoger beroep ingezonden rapporten, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende en adequaat gemotiveerd, waarmee voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom deze functies voor betrokkene passend zijn geacht.

Voor zover betrokkene betoogt dat zij niet voldoet aan de geduide functies verbonden opleidingseisen, overweegt de Raad het volgende. De Raad stelt vast dat de door appellante in dit verband genoemde functies van keukenverkoper, boekhouder en schadecorrespondent niet (langer) ten grondslag liggen aan de onderhavige schatting. Dit betoog is derhalve tevergeefs voorgedragen. Voor zover betrokkene betoogt dat de functies, gelet op de daarbij gestelde ervaringseisen, niet voor haar toegankelijk zijn, overweegt de Raad als volgt. Uit de – bij het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Den Hartog van 10 november 2006 gevoegde – arbeidsmogelijkhedenlijst van

10 november 2006 leidt de Raad af dat voor de functie van verkoper groothandel (SBC-code 317012) en de (tot de SBC-code 515070 behorende, maar niet aan de schatting ten grondslag liggende) functie van crediteurenadministrateur ervaringseisen zijn gesteld. De Raad vermag in het licht van de laatst verrichte functie van betrokkene en haar opleiding evenwel niet in te zien dat betrokkene niet zou voldoen aan deze eisen. Dit betoog faalt derhalve evenzeer.

Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de ontbrekende onderbouwing van het bestreden besluit alsnog is gegeven. De Raad stelt voorts vast dat het bestreden besluit vóór 1 juli 2005 is genomen. Gelet op ’s Raads oordeel met betrekking tot het CBBS leidt dit tot vernietiging van het bestreden besluit en tot de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.

Nu de vernietiging van het bestreden besluit op een geheel andere grond geschiedt dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gebezigd, zal de Raad deze uitspraak vernietigen, behoudens voor zover daarin omtrent de vergoeding van proceskosten en het griffierecht in eerste aanleg is beslist.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en E. Dijt en

O.J.D.M.L. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

JL