Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4403

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
04-5046 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5046 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 augustus 2004, 03/86 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant

Datum uitspraak: 20 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.J. van der Woude, werkzaam bij Rechtshulp

Oost Nederland te Zutphen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2007, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door J. de Graaf. Betrokkene is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van der Woude, voornoemd.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Betrokkene, geboren [in] 1953, is op 15 februari 1995 uitgevallen voor haar werk van productiemedewerkster snijzaal wegens rechterarmklachten. Na afloop van de wachttijd is haar met ingang van 14 februari 1996 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Nadat betrokkene op 14 augustus 1996 wederom was uitgevallen is haar bij besluit van 9 juni 1997 met ingang van 11 september 1996 een AAW/WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

In het kader van een 5e-jaarsbeoordeling is betrokkene op 3 juli 2002 onderzocht door de verzekeringsarts R.W. Reddingius. In zijn rapport van dezelfde datum heeft deze arts vastgesteld dat betrokkene naast reeds bekende rechterarmklachten tevens nek-, rug- en schouderklachten heeft. Met inachtneming van uit deze klachten voortvloeiende beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van betrokkene vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige H. Teunissen op 22 augustus 2002 rapport uitgebracht. In dit rapport is hij tot de conclusie gekomen dat betrokkene nog geschikt is voor een aantal functies en op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 15-25%. In overeenstemming met dit rapport is betrokkene bij besluit van 4 september 2002 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 5 september 2002 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.

In bezwaar heeft betrokkene naar voren gebracht dat het onderzoek van de verzekeringarts niet zorgvuldig is geweest en dat zij meer beperkingen heeft dan appellant heeft aangenomen. Ter ondersteuning van haar standpunten heeft zij informatie ingebracht van haar huisarts en haar behandelend fysiotherapeut.

Op 13 november 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts F.G. Slebus rapport uitgebracht, en daarin het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Bij daaropvolgend besluit van 19 december 2002 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat verlaging - in verband met de gebruikelijke uitlooptermijn - ingaat op 5 november 2002.

In beroep heeft betrokkene haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan door appellant zijn aangenomen herhaald. Zij kan naar haar mening de geselecteerde functies niet uitoefenen.

Van de zijde van appellant is in beroep aangegeven dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van machinebediende en inpakker bij nader inzien niet geschikt zijn. Op grond van de functies statistisch medewerkster, productiemedewerkster industrie en samensteller metaalwaren is een nieuwe schatting verricht waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid (wederom) is berekend op 15-25%.

Nadat het beroep ter zitting van de rechtbank was behandeld heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend teneinde een nader medisch onderzoek in te stellen.

Vervolgens heeft op verzoek van de rechtbank de orthopedisch chirurg P.J.M. van Loon op 25 februari 2004 rapport uitgebracht. In dit rapport heeft hij te kennen gegeven dat er sprake is van een complex van klachten. Versterkte kyfose, onvermogen de nek verder te reflecteren, evident krachtsverlies in de handen en een opmerkelijke hyperreflexie in de armen en benen. Naar zijn mening kan dit beeld passen bij een myelumstoornis, door de opbouw van de wervelkolom bepaald, en om deze reden heeft hij gepleit voor een uitgebreid neurologisch onderzoek en een MRI cervicaal. Voorts is hij van mening dat een aantal geselecteerde functies waarin sprake is van samenstellen of assembleren van producten niet geschikt is voor betrokkene vanwege haar beperkte knijpkracht. Daarnaast is hij van mening dat de functie van receptioniste/telefoniste slechts onder bepaalde voorwaarden geschikt is.

Van de zijde van appellant is op dit rapport geregeerd onder meer door middel van nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige. Deze laatste heeft gesteld dat in de geselecteerde functies sprake is van een benodigde knijpkracht van ”minder dan normaal”. Bij schrijven van 7 juni 2004 heeft voornoemde Van Loon hierop geregeerd, waarna door appellant nog een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts is ingezonden. Deze concludeert dat eventueel neurologisch en neurolysiologisch onderzoek geen andere visie op de belastbaarheid zal opleveren.

De rechtbank is op grond van het rapport van de als deskundige geraadpleegde orthopedische chirurg Van Loon tot de conclusie gekomen dat betrokkene beperkt is in de aansturing van haar handen en om die reden heeft de rechtbank de functies van productiemedewerkster industrie, samensteller metaalwaren en naaister niet geschikt geacht voor haar. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat er slechts twee geschikte functies resteren die bovendien geen 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Daarnaast heeft de rechtbank beslist over proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep is van de zijde van appellant onder meer aangevoerd dat bij betrokkene nooit eerder aansturingsproblemen van haar handen zijn vastgesteld, waaraan is toegevoegd dat een dergelijke diagnose niet op het terrein van een orthopedisch chirurg ligt maar op het terrein van een neuroloog.

Voorts is er nogmaals op gewezen dat er de functies een ”minder dan normale” handkracht vergen. Naar de mening van appellant heeft de rechtbank het beroep dan ook ten onrechte gegrond verklaard.

Op het verweerschrift van betrokkene is door appellant gereageerd door middel van nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

Op 30 november 2006 heeft op verzoek van de Raad de neuroloog R.S.H.M. Beijersbergen rapport uitgebracht. Naar zijn mening zijn er aanwijzingen voor het bestaan van een pathologische densstructuur met ook mogelijke tot waarschijnlijke beïnvloeding van het hoog cervicale myelum. Teneinde hieromtrent zekerheid te verkrijgen is naar zijn mening een nader neurologisch onderzoek gewenst. Hij heeft daaraan toegevoegd dat zolang er nog geen duidelijke diagnose is gesteld, betrokkene niet dient te worden onderworpen aan fysiek belastende arbeid en om die reden acht hij het vooralsnog niet aangewezen dat betrokkene de geselecteerde functies uit gaat oefenen.

Op dit rapport is door appellant gereageerd door middel van een nader rapport van de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad overweegt als volgt.

De door de Raad geraadpleegde deskundige Beijersbergen heeft in zijn voormelde rapport opgemerkt dat er op neurologisch gebied een aanwijzing is voor het bestaan van een pathologische densstructuur met ook mogelijke tot waarschijnlijke beïnvloeding van het hoog cervicale myelum. Ook de deskundige Van Loon heeft zich in zijn voormelde rapport in die zin uitgelaten en beide deskundigen achten, ten einde een volledig(er) medisch beeld van betrokkene te verkrijgen, een nader, diepgaand neurologisch onderzoek noodzakelijk. In het voormelde rapport d.d. 3 juli 2002 van de verzekeringsarts Reddingius, dat ten grondslag heeft gelegen aan de onderhavige schatting en waarvan de conclusie is onderschreven door bezwaarverzekeringsarts Slebus in zijn voormelde rapport van 13 november 2002, is deze mogelijke afwijking bij betrokkene echter niet onderkend. Met eventueel uit deze afwijking voortvloeiende beperkingen is derhalve geen rekening gehouden zodat deze rapporten de in geding zijnde schatting niet kunnen dragen.

De Raad voegt aan het vorenstaande toe dat de bezwaarverzekerings-arts in zijn rapport van 13 november 2002 heeft vastgesteld dat betrokkene is aangewezen op gestructureerd werk. Deze beperking heeft hij echter niet opgenomen in de FML en dat acht de Raad niet zorgvuldig. Voorts is de Raad op grond van de gedingstukken tot de conclusie gekomen dat de (ogenschijnlijke) overschrijdingen ten aanzien van het aspect reiken in de functies van statistisch medewerker en samensteller en het aspect knijp-/grijpkracht in de functie van productiemedewerker industrie en naaister de (reserve) functie niet in voldoende mate zijn gemotiveerd.

Gelet op het vorenstaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 27,70 aan reiskosten, in totaal derhalve € 671,70.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in hoger beroep tot een bedrag groot € 671,70, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

CVG