Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-7410 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. BDS-plaatsing was louter bedoeld was om betrokkene in administratieve zin op een zijspoor te zetten zodat hij niet tot de rang van luitenant-kolonel bevorderd behoefde te worden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:3, geldigheid: 2007-04-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/145

Uitspraak

05/7410 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (België), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 november 2005, 04/4707 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Landstrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Landstrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 12 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen met bijstand van mr. Th.A. Velo, advocaat te Utrecht. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van commandant, wordt daarmee in voorkomend geval (mede) bedoeld zijn rechtsvoorganger, de Bevelhebber der Landstrijdkrachten.

2. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant behoort tot de categorie van de zogenoemde fortificatie-officieren, waarvoor in beginsel de eindrang van majoor geldt. Bij besluit van 14 mei 2002 is appellant met ingang van 22 oktober 2001 geplaatst in de functie van beleidsmedewerker Programma en Projecten Coördinatie (P2C) bij de Centrale Directie Dienst Gebouwen Werken & Terreinen (DGW&T).

2.2. In mei 2003 is het eindrapport uitgebracht van de evaluatie van de reorganisatie van de DGW&T per 1 juni 2001. In dat rapport is het voorstel gedaan om nader onderzoek te doen naar de functie van beleidsmedewerker P2C met als rang majoor en te beoordelen of er substantiële verschillen bestaan met de functie van senior beleidsmedewerker P2C in de rang van luitenant-kolonel.

2.3. Bij primair besluit van 9 maart 2004 is appellant met ingang van 1 maart 2004 tot uiterlijk 1 maart 2005 op de zogenoemde BDS-code 4 geplaatst. Daarbij is aangegeven dat deze plaatsing geschiedt vooruitlopend op de opwaardering in rang van appellants huidige functie, en dat hem op een zo kort mogelijke termijn binnen de DGW&T een alternatieve functie in de rang van majoor zal worden aangeboden. Appellant heeft tegen die plaatsing bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 28 september 2004 is dat ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant niet langer een processueel belang heeft bij de materiële uitkomst van het geding nu hem bij rechtens vaststaand besluit van 12 april 2005 met ingang van 1 februari 2005 de functie van senior beleidsmedewerker P2C bij de DGW&T in de rang van majoor is toegewezen en vernietiging van het bestreden besluit niet kan leiden tot hetgeen appellant met zijn beroep beoogt, namelijk dat hij alsnog bevorderd dient te worden tot luitenant-kolonel.

4.1. Appellant is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen procesbelang meer heeft. Verder blijft hij van mening dat hij om reden van zijn volledige en goede functievervulling recht heeft op de bijbehorende rang van luitenant-kolonel.

4.2. De commandant blijft van oordeel dat zijn beslissing op goede gronden tot stand is gekomen.

5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

5.1. Het procesbelang.

5.1.1. De Raad ziet deze grief doel treffen. Het bestreden besluit betreft de plaatsing van appellant op BDS-code 4. Deze plaatsing betekent een wijziging in appellants rechtspositie welke door het besluit van 12 april 2005 niet ongedaan is gemaakt. Immers, de commandant heeft aan dat nieuwe besluit geen verdere terugwerkende kracht verleend dan tot de datum van 1 februari 2005, waardoor appellant gedurende een klein jaar boven de sterkte geplaatst is geweest. Daarmee is het processueel belang gegeven.

5.1.2. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. De Raad acht nadere behandeling van de zaak door de rechtbank niet noodzakelijk en zal derhalve zelf een inhoudelijk oordeel geven. De vraag moet worden beantwoord of de commandant appellant op goede gronden met ingang van 1 maart 2004 op BDS-code 4 heeft geplaatst.

5.2. De BDS-plaatsing.

5.2.1. Blijkens de stukken heeft het toenmalige Hoofd P2C rond 1 december 2003 ingestemd met het voorstel om de functiebeschrijving van appellants functie aan te passen. Dit voorstel hield in dat de functie van beleidsmedewerker P2C zou worden gewijzigd in senior beleidsmedewerker P2C met de daarbij behorende rang van luitenant-kolonel, omdat uit onderzoek naar voren was gekomen dat de invulling van de taken van de functie senior beleidsmedewerker P2C en de functie beleidsmedewerker P2C in de praktijk op nagenoeg dezelfde wijze geschiedt. Bij intern memorandum van 21 juni 2004 is het bevoegde gezag verzocht om de voorgestelde formatiewijziging te bekrachtigen opdat die wijziging kan worden doorgevoerd in de formatiespecificatie DGW&T/Centrale Directie van 1 juli 2004. Uit de overgelegde formatiespecificatie blijkt dat per die datum op de afdeling P2C twee voltijds senior beleidsmedewerkers P2C werkzaam zijn. Aan één van deze functies is de rang van luitenant-kolonel verbonden doch aan de andere - met toepassing van de zogeheten beleidsfactor - slechts de rang van majoor.

5.2.2. Naar het oordeel van de Raad moet het, op grond van de hier bedoelde stukken, ervoor worden gehouden dat de commandant reeds op 1 december 2003 op de hoogte was van het feit dat de beschrijving van de functie van appellant nagenoeg identiek was aan die van de functie van senior beleidsmedewerker P2C waaraan de rang van luitenant-kolonel is verbonden. Op dat moment viel dan ook te verwachten dat de functie van appellant tot de rang van luitenant-kolonel zou worden opgewaardeerd. Hiervan kan niet los worden gezien dat appellant bij het primaire besluit van 9 maart 2004 “vooruitlopend op de herwaardering van zijn functie” op BDS-code 4 is geplaatst, hoewel hij nadien exact dezelfde werkzaamheden heeft verricht als vóór zijn plaatsing op BDS-code 4. Ook in de hem bij het plaatsingsbesluit van 12 april 2005 toegewezen functie van senior beleidsmedewerker P2C met de rang van majoor is appellant diezelfde werkzaamheden blijven verrichten. Nadat appellant op grond van FLO de dienst met ingang van 1 januari 2007 had verlaten, is voor zijn functie opnieuw de rang van luitenant-kolonel vastgesteld.

5.2.3. Gelet op alle hierboven genoemde omstandigheden is de Raad van oordeel dat de plaatsing van appellant op BDS-code 4 louter bedoeld was om hem in administratieve zin op een zijspoor te zetten zodat hij niet tot de rang van luitenant-kolonel bevorderd behoefde te worden. Deze handelwijze is niet te verenigen met de voor militairen geldende beloningssystematiek op grond waarvan degene die een functie vervult in beginsel de daaraan verbonden rang volgt. De stelling van de commandant dat hij de bevoegdheid heeft om bij de rangvaststelling op grond van een beleidsfactor van de rangindicatie af te wijken, kan hem hier niet baten, nu naar het oordeel van de Raad ook deze beleidsfactor werd toegepast met het enkele, op de persoon gerichte doel om appellant een bevordering te onthouden. Daarmee handelt de commandant in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de in 5.1.2. opgeworpen vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

7. In het voorafgaande vindt de Raad aanleiding om de commandant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg alsmede in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- wegens rechtsbijstand in eerste aanleg en op eveneens € 644,- wegens rechtsbijstand in hoger beroep, derhalve in totaal € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 28 september 2004;

Bepaalt dat de commandant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt de commandant in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 343,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) W.M. Szabo.

Q