Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-401 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag: plegen van ontucht met stiefdochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/401 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 10 december 2004, 03/1016 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 19 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A. Keulemans, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem. Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Partijen hebben daarop over en weer gereageerd. Na daartoe van partijen toestemming te hebben gekregen heeft de Raad bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant was laatstelijk werkzaam als gebiedsgebonden politiefunctionaris in de rang van brigadier bij de politieregio [regio]. Wegens een jegens hem gerezen verdenking van het plegen van zedendelicten is appellant bij besluit van 15 juli 2002 met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en is hem de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en dienstterreinen. Bij besluit van 10 september 2002 is appellant met ingang van die datum geschorst voor de duur van zes maanden. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn ongegrond verklaard.

1.3. Er heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden door het Bureau Interne Zaken hetgeen heeft geresulteerd in een proces-verbaal met nummer 2002/KL-BIZ/024. Op basis daarvan heeft de Officier van Justitie besloten appellant strafrechtelijk te vervolgen. De korpsbeheerder heeft op basis van de gegevens uit het proces-verbaal appellant bij brief van 16 december 2002 mededeling gedaan van zijn voornemen tot het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag wegens plichtsverzuim.

1.4. Nadat appellant in de gelegenheid was gesteld zich te verantwoorden heeft de korpsbeheerder appellant bij besluit van 22 april 2003 de straf opgelegd van onvoorwaardelijk ontslag met ingang van 1 mei 2003.

Het verweten plichtsverzuim betreft onder meer het plegen van ontucht met zijn stiefdochter. In concreto gaat het om de volgende gedragingen:

a: het bij zijn stiefdochter afscheren van het schaamhaar;

b: het aanraken van de borsten van zijn stiefdochter;

c: het nemen van foto’s van zijn stiefdochter waaronder foto’s waarbij zij in een gedeeltelijk ontklede positie is gebracht.

Na bezwaar is dit besluit gehandhaafd bij besluit van 7 oktober 2003 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. De korpsbeheerder heeft zijn gehandhaafde ontslagbesluit gebaseerd op het eerder genoemde proces-verbaal van het Bureau Interne Zaken van de politieregio [regio]. Aan dit bureau is opdracht verstrekt om tezamen met het bureau Jeugd- en Zedenzaken een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Niet valt in te zien waarom het de korpsbeheerder niet vrij stond bij zijn besluitvorming uit te gaan van de gegevens uit dit interne onderzoek. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpsbeheerder zich op basis van dit strafrechtelijk onderzoek dat onder meer verklaringen bevat van de stiefdochter, van haar moeder en van appellant, een oordeel kunnen vormen over de gedragingen van appellant. De Raad kan appellant daarom niet volgen in zijn standpunt dat de korpsbeheerder daarnaast een afzonderlijk disciplinair onderzoek had moeten instellen. Appellant heeft overigens nimmer vermeld welke gegevens tot een afzonderlijk disciplinair onderzoek zouden hebben moeten leiden.

3.3. Volgens appellant blijkt uit zowel de bandopname van de verklaring van de stiefdochter (de aangifte) als het in de strafrechtelijke procedure uitgebrachte rapport van prof. dr. R. Bullens, (hierna: Bullens), dat de politieambtenaren onzorgvuldig en niet professioneel te werk zijn gegaan. Hoewel aan appellant kan worden toegegeven dat

Bullens zich in zijn rapport zeer kritisch heeft uitgelaten over de wijze waarop de verklaring van de stiefdochter van appellant tot stand is gekomen, komt deze deskundige op basis van zogeheten externe ondersteuning die de verklaringen van de stiefdochter bevestigt - waaronder de verklaringen van appellant zelf die de gedragingen niet heeft ontkend - niettemin tot de conclusie dat de matige kwaliteit van het verhoor de betrouwbaarheid van de aangifte niet heeft aangetast.

Nu het rapport van Bullens voldoende informatie geeft over de (matige) kwaliteit van de totstandkoming van de verklaring, en de Raad in dit geding over voldoende gegevens beschikt, ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellant om de bandopname af te luisteren te honoreren. Naar het oordeel van de Raad mocht de korpsbeheerder het plichtsverzuim dan ook mede baseren op deze aangifte.

3.4. De Raad overweegt voorts dat appellant - na aanvankelijke ontkenningen - niet langer heeft bestreden dat hij de hem verweten gedragingen heeft begaan, maar heeft aangevoerd dat deze moeten worden geplaatst binnen de context van de open sfeer en omgangsnormen binnen zijn gezin. De Raad is van oordeel dat appellant met deze verontschuldigende verklaring onvoldoende blijk geeft van het besef dat hij zelf verantwoordelijk was voor het ontstaan en voortduren van dit gezinsklimaat, waarin in elk geval ten aanzien van zijn stiefdochter stelselmatig de algemeen aanvaarde grenzen van fatsoen en respect voor haar seksuele integriteit werden overschreden.

Bovendien staat, in ieder geval van de in 1.4. onder a en b genoemde gedragingen, genoegzaam vast dat appellant wist dat zijn stiefdochter hier afkerig van was. Door desondanks, misbruik makend van zijn overwicht, zijn wil aan haar op te leggen heeft hij zich misdragen op een wijze die niet kan worden gebagatelliseerd en die ook weerslag heeft op het in hem als politiefunctionaris te stellen vertrouwen.

De Raad kan appellant dan ook niet volgen in zijn stelling, dat het hier slechts om privé-gedragingen ging, die los van het politiewerk kunnen worden gezien.

De korpsbeheerder heeft dienaangaande terecht overwogen dat de stiefdochter deze gedragingen door haar aangifte buiten het gezinsverband heeft gebracht en dat deze zodanig indruisen tegen hetgeen van een politiefunctionaris mag worden verwacht dat deze ontoelaatbaar moeten worden geacht. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de Raad terecht aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim en vallen appellant toe te rekenen. De korpsbeheerder was daarom bevoegd tot het opleggen en het handhaven van een disciplinaire straf.

3.5. De korpsbeheerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en gekozen voor de zwaarste disciplinaire straf. Ook de Raad kan, de in 1.4 onder a en b genoemde gedragingen in samenhang beziend, tot geen andere conclusie komen dan dat appellant daardoor het in hem gestelde vertrouwen ernstig heeft beschaamd, de integriteit en betrouwbaarheid van het korps in diskrediet heeft gebracht en het risico heeft veroorzaakt dat de dienst schade wordt toegebracht. Gelet op de aard en de ernst van het plichts-verzuim acht de Raad de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig. Dat appellant, zoals hij heeft gesteld, vele jaren zijn werkzaamheden tot tevredenheid van de korpsbeheerder heeft verricht, acht de Raad onvoldoende zwaarwegend voor het oordeel dat met een lichtere bestraffing had moeten worden volstaan. Ook het gegeven dat in de strafrechtelijke procedure het gerechtshof een lagere straf heeft opgelegd dan de rechtbank heeft de Raad niet tot een andere conclusie gebracht. De Raad wijst erop dat ook het Hof de in 1.4. onder a en b genoemde gedragingen bewezen en strafwaardig heeft geacht en bij zijn lagere straftoemeting de door appellant reeds ondervonden consequenties, zoals ontslag, uitdrukkelijk heeft laten meewegen.

3.6. Gezien het voorgaande kan en zal de Raad het aan appellant verweten gedrag, zoals vermeld in 1.4 onder c, onbesproken laten.

4. Gelet op al het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.