Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4320

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
06-5427 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invordering, aflossingscapaciteit.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 36b, geldigheid: 2007-04-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 216
ABkort 2007/280

Uitspraak

06/5427 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 september 2006, 06/1632 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat te Maastricht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil moet worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, nu hij geen opgave heeft gedaan van zijn sociaal financiële omstandigheden, een op hem wegens teveel betaalde WW- en WAO-uitkering bestaande vordering van € 12.537,35 opeisbaar is en vóór 1 juni 2005 dient te zijn voldaan. Vervolgens heeft appellant op 16 augustus 2005 alsnog het formulier inkomens- en vermogensonderzoek ingevuld en voorgesteld een bedrag van € 25,-- per maand af te lossen. Hij heeft daarbij verwezen naar een tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding van de rechtbank Utrecht van 20 juli 2004.

2.2. Bij besluit van 17 augustus 2005 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat op basis van de door hem verstrekte informatie en rekening houdend met de beslagvrije voet, de aflossingscapaciteit € 286,51 per maand bedraagt, welk bedrag op de maandelijkse betaling van zijn uitkering zal worden ingehouden. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar is door het Uwv bij besluit van 16 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat het Uwv de aflossingscapaciteit van appellant, met toepassing van artikel 36b van de WW en de op die bepaling gebaseerde Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigde betalingen (hierna: de Regeling) op goede gronden heeft vastgesteld op € 286,51 per maand.

3.2. Desalniettemin kan appellant zich niet verenigen met dit aflossingsbedrag omdat hij van mening is dat het Uwv zich dient te houden aan het eerder overeengekomen aflossingsbedrag van € 25,-- per maand en aan bovengenoemd vonnis van 20 juli 2004. De Raad kan appellant hierin niet volgen.

3.3. Blijkens de gedingstukken heeft in 2003 een inkomensonderzoek plaatsgevonden bij appellant teneinde het maandelijks in te vorderen bedrag ter aflossing van de vordering van het Uwv vast te stellen. Op basis van de door appellant verstrekte financiële gegevens is toen vastgesteld dat het maandelijkse inkomen onder de beslagvrije voet blijft, zodat er geen bedrag overbleef dat rechtens op de uitkering in mindering kon worden gebracht ter verrekening met de vordering. Aangezien appellant zich bereid had verklaard ter aflossing een bedrag van € 25,-- per maand te betalen is hem bij besluit van 23 mei 2003 meegedeeld dat het maandelijks te betalen termijnbedrag vanaf mei 2003 € 25,-- bedraagt. Hieruit volgt dat het aflossingsbedrag van € 25,-- per maand niet was gebaseerd op een tussen partijen gesloten overeenkomst, maar door het Uwv is vastgesteld bij besluit van 23 mei 2003, ook al vermeldt dit besluit dat het Uvw en appellant overeenkomen dat appellant in maandelijkse termijnen van € 25,-- betalen zal.

3.4. Het Uwv is niet onbeperkt gebonden aan het in dat besluit vastgestelde aflossingsbedrag. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 22 maart 2006, LJN AV9374, gepubliceerd in USZ 2006/161, staat geen rechtsregel er aan in de weg dat het Uwv, op basis van de berekende aflossingscapaciteit van appellant, de betalingstermijn voor de toekomst wijzigt en vaststelt op een beduidend hoger bedrag. Dit betekent dat het Uwv gerechtigd was om op basis van de door appellant in augustus 2005 verstrekte financiële gegevens en rekening houdend met de beslagvrije voet, het aflossingsbedrag voor de toekomst op een aanzienlijk hoger bedrag vast te stellen dan het in 2003 vastgestelde bedrag van € 25,-- per maand. Dat appellant tengevolge van de wijziging van de betalingstermijn op het bestaansminimum moet leven, is een bewuste consequentie van de Regeling en levert geen kennelijke hardheid op als bedoeld in artikel 14 van de Regeling.

3.5. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het vonnis van 20 juli 2004 er niet aan in de weg staat dat het Uwv op basis van de nieuw verkregen financiële gegevens van appellant de maandelijkse aflossing per toekomende datum op een hoger bedrag vaststelt. In dat vonnis heeft de voorzieningenrechter in kort geding immers het deel van de vordering van appellant dat er op zag dat het Uwv werd verboden om per 1 januari 2004 een hoger bedrag in te houden dan € 25,-- per maand afgewezen, omdat niet viel uit te sluiten dat in de toekomst de omstandigheden dusdanig zouden wijzigen dat een ander bedrag ingehouden diende te worden.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) M.R.S. Bacon

RH

1604