Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-3732 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere stukken, Ontvankelijkheid, Omvang van het geding, Motivering aangevallen uitspraak, Overtolligheid, Besluit inzake structuur masteropleidingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:58, geldigheid: 2007-04-19
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2007-04-19
Algemene wet bestuursrecht 8:77, geldigheid: 2007-04-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/162
ABkort 2007/267

Uitspraak

05/3732 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 april 2005, 03/3012 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 19 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 05/3733 AW, plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellante is niet verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam en door prof. dr. F.J.M. de Ly en A.C. Timmembroek, beiden verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het onderzoek ter zitting is voor korte duur geschorst geweest in verband met het nemen van een tussenbeslissing.

Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante bekleedde ten tijde in geding één van de twee functies van universitair docent in de sectie [naam sectie] van de faculteit der Rechtsgeleerdheid. Ten gevolge van een reorganisatie van die faculteit is appellante bij besluit van 8 juli 2002 overtollig verklaard. In het formatieplan was slecht één formatieplaats voor een universitair docent [naam sectie] opgenomen. Bij het besluit van 8 juli 2002 is aangegeven dat geen aanleiding werd gezien om af te wijken van de in artikel 12.5 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Nederlandse Universiteiten (CAO NU) voorgeschreven ontslagvolgorde. Voorts is aangegeven dat niet tot ontslag zal worden overgegaan omdat verwacht werd dat appellante andere passende werkzaamheden binnen de faculteit zou aanvaarden. Bij besluit van 9 juli 2002 heeft het faculteitsbestuur van genoemde faculteit de structuur van de masteropleiding rechtsgeleerdheid, bedrijfsrecht en financieel recht vastgesteld.

1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten van 8 en 9 juli 2002. Bij het bestreden besluit van 23 oktober 2003 zijn de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, voor zover dit is gericht tegen het in stand gelaten besluit van 8 juli 2002, ongegrond verklaard. Zij heeft het beroep voor zover het is gericht tegen het gehandhaafde besluit van 9 juli 2002 gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 juli 2002 alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3. Namens appellante is een groot aantal grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, waarbij, ter aanvulling van het rechtbankdossier, veel nadere stukken zijn overgelegd. Het college heeft hierop gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

4.1. Nadere stukken

4.1.1. Zoals na de schorsing ter zitting reeds is meegedeeld, laat de Raad de zogenoemde Nadere stukken, die namens appellante bij brief van 4 maart 2007 nog zijn ingezonden, en die de Raad op 5 maart 2007 heeft ontvangen, buiten beschouwing. Hij honoreert daarmee het bezwaar van het college. Dat vindt zijn grond in de aan artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag liggende beginselen van een goede procesorde. Die beginselen worden geschonden doordat, terwijl reeds sprake is van een zeer omvangrijk dossier, zeer kort voor de zitting een groot aantal stukken (van meer dan 100 bladzijden) in het geding wordt gebracht betreffende - blijkens aangebrachte tabbladen - een twintigtal onderwerpen, waarvan bovendien de betekenis voor dit geding niet bij eerste oogopslag duidelijk is. De Raad heeft daarbij opgemerkt dat appellante ruimschoots de gelegenheid heeft gehad stukken in te dienen, en dit temeer nu de oorspronkelijke zitting van 14 september 2006 geen doorgang heeft gevonden. Tot slot heeft de Raad erop gewezen dat hier niet alleen de positie van de andere partij in het geding is, maar ook die van de rechter die zich behoorlijk moet kunnen voorbereiden op de zitting.

4.2. Ontvankelijkheid

4.2.1. Gezien de ondertekening van het inleidend beroepschrift en de totale inhoud van het aanvullend beroepschrift, in samenhang met de ingediende stukken, is de Raad van oordeel dat in het onderhavige hoger beroep de gronden namens appellante zijn ingediend. De Raad volgt het college dan ook niet in de grief dat het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de beroepsgronden ontbreken.

4.3. Omvang van het geding

4.3.1. Namens het college is voorts aangevoerd dat het hoger beroep niet beide onder-delen van het bestreden besluit omvat, nu bij het eerste aanvullend beroepschrift slechts is ingegaan op het (overtolligheids)besluit van 8 juli 2002 en de grieven tegen het besluit van 9 juli 2002 tot vaststelling van de structuur van de masteropleiding pas bij een nader aanvullend beroepschrift zijn ingebracht. Ook hierin volgt de Raad het college niet, nu hoger beroep is ingesteld tegen de gehele aangevallen uitspraak, die een oordeel omvat over beide onderdelen van het bestreden besluit. De enkele omstandigheid dat pas in het tweede aanvullend beroepschrift nader is ingegaan op het tweede onderdeel doet hieraan onvoldoende af.

4.3.2. De Raad volgt appellante niet in de grief dat besluiten die zijn gevolgd op het bestreden besluit, bijvoorbeeld met betrekking tot plaatsing in een andere functie, kunnen worden aangemerkt als besluiten die op grond van de artikelen 6:18 en 6: 19 van de Awb moeten worden meegenomen in het onderhavige geding, nu dit geen besluiten betreft die naar grondslag en reikwijdte een wijziging van het bestreden besluit inhouden.

4.4. Motivering aangevallen uitspraak

4.4.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563 en AB 1999,32, heeft overwogen, vloeit uit artikel 8:69 en uit artikel 8:77 van de Awb niet voort dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Dit is blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) niet anders ten aanzien van de op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aan rechterlijke uitspraken te stellen motiveringseisen, zoals namens het college terecht is aangevoerd. De Raad heeft niet tot de conclusie kunnen komen dat de rechtbank in haar motiveringsplicht tekort is geschoten en ook de Raad zal zich beperken tot de kern van de door appellante naar voren gebrachte grieven. Hierbij wordt opgemerkt dat veel van die grieven niet rechtstreeks betrekking hebben op het in dit geding bestreden besluit, maar op situaties en besluiten die dateren van voor of na dat besluit, zodat deze van beperkte betekenis zijn voor het onderhavige geding.

4.5. Overtolligheid

4.5.1. Bij het onder 1.1. genoemde besluit van 8 juli 2002 is appellante als gevolg van genoemde reorganisatie overtollig verklaard, door welk besluit het belang van appellante rechtstreeks betrokken is.

4.5.2. De grieven van appellante met betrekking tot de omvang van de toetsing door de rechtbank, waarbij een beroep is gedaan op verdragsbepalingen en jurisprudentie van met name het EHRM, treffen geen doel. De Raad sluit zich aan bij hetgeen van de zijde van het college in het verweerschrift en ter zitting hieromtrent naar voren is gebracht. Blijkens de inhoud van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de aan het overtolligheids-besluit ten grondslag liggende reorganisatie voldoende diepgaand getoetst.

4.5.3. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat de reorganisatie alle procedureel vereiste stappen heeft doorlopen en dat de desbetreffende besluiten door de daartoe bevoegde organen zijn genomen. Voor de grief van appellante dat dit (onderdeel van het) reorganisatiebesluit met vooringenomenheid zou zijn genomen en dat sprake zou zijn van “victimizatie” heeft de Raad in hetgeen hieromtrent is aangevoerd, in samenhang met de voorhanden zijnde gedingstukken, evenmin als de rechtbank aanknopingspunten gevonden. Aan deze reorganisatie, die de gehele faculteit der Rechtsgeleerdheid omvatte, lagen financieel-economische redenen en motieven met betrekking tot de inrichting van het onderwijs ten grondslag.

4.5.4. Als gevolg van de reductie van de formatie van de sectie Algemene Rechtsver-gelijking kwam appellante, gelet op haar anciënniteit, op grond van artikel 12.5, tweede lid, van de CAO NU als eerste voor ontslag in aanmerking. De Raad ziet niet dat het college met toepassing van het derde lid van dat artikel appellante en haar collega beiden voor een deeltijdontslag van 50% in aanmerking had moeten brengen. Dit geldt temeer nu ontslag niet aan de orde was omdat er voor appellante voldoende mogelijkheden waren haar een andere functie aan te bieden, hetgeen ook kort nadien is gebeurd. De Raad kan appellante hierbij niet volgen in de grief dat op grond van gebeurtenissen die na het bestreden besluit hebben plaatsgevonden tot een andere conclusie gekomen zou moeten worden.

4.5.5.Van (indirecte) discriminatie is bij het overtolligheidsbesluit reeds geen sprake omdat namens het college onweersproken is gesteld dat de groep universitair docenten voor minimaal de helft uit vrouwen bestaat.

4.5.6. Al hetgeen overigens namens appellante is aangevoerd, heeft de Raad evenmin tot het oordeel kunnen leiden dat het besluit tot handhaving van het besluit van 8 juli 2002 in rechte geen stand kan houden.

4.6. Besluit inzake structuur masteropleidingen

4.6.1. Als veronderstellenderwijs met appellante wordt aangenomen dat het besluit van

9 juli 2002 een definitief besluit behelst met betrekking tot de structuur van enkele masteropleidingen, stelt de Raad vast dat dit niet een besluit is waarbij het belang van appellante als ambtenaar rechtstreeks is betrokken. Appellante heeft met name bezwaar tegen de implicatie van dit besluit dat de masteropleidingen “Vergelijkend Staatsrecht” en “Vergelijkend strafrecht” als alternatief kunnen dienen voor het vak Rechtsvergelijking, waardoor mogelijk het aantal studenten voor Rechtsvergelijking zal dalen, hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de formatie van de sectie. Appellante maakt, blijkens de conclusie onder 4.5.6., geen deel meer uit van die sectie. Zij is dan ook geen belanghebbende bij het besluit van 9 juli 2002.

4.6.2. Gezien het vorenstaande is het bestreden besluit van 23 oktober 2003 terecht door de rechtbank vernietigd voor zover dit het primaire besluit van 9 juli 2002 betrof en is het bezwaar tegen dat laatste besluit in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Gezien het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak in zijn geheel voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

Q