Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4316

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-5223 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juistheid functiebeschrijving. Korpsbeheerder heeft in strijd gehandeld met de Uitvoeringsregeling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8, geldigheid: 2007-04-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/120

Uitspraak

05/5223 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juli 2005, 04/1751 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [politieregio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 19 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. van Weersch, verbonden aan de Stichting Rechtsbijstand. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.P.C.W. Tummers en F.J.H. Gunther, beiden werkzaam bij de politieregio [politieregio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was oorspronkelijk in de politieregio werkzaam in de functie van projectleider observatieteam bij het bureau Interregionale Observatie Eenheid (hierna: IOE). De functie was gewaardeerd op schaal 8 van het Besluit bezoldiging politie. Vanaf 1994 heeft appellant de functie van projectleider observatieteam vervuld bij het bureau Georganiseerde Criminaliteit (hierna: GC).

1.2. De korpsbeheerder heeft bij het zogenoemde traject Actualiseren van functiebeschrij-vingen nog eenmaal, naar de peildatum 1 januari 2002, toepassing gegeven aan de Uitvoeringsregeling functie-onderhoud Politie [politieregio] van 1995 (hierna: Uitvoeringsregeling). In dat kader is bij besluit van 14 juli 2003 de functiebeschrijving van appellant vastgesteld. Beschreven is de functie van projectleider observatieteam bij het bureau IOE. Aan de voet van de brief waarbij dit besluit is bekendgemaakt, is aangegeven dat de bezwaartermijn van zes weken in overleg met de overlegpartners is opgerekt tot uiterlijk 1 oktober 2003. Appellant heeft bij bezwaarschrift van 15 september 2003 bezwaar gemaakt tegen die beschrijving.

1.3. Bij het bestreden besluit van 17 september 2004 heeft de korpsbeheerder in de eerste plaats, na vermelding van evenvermelde data, overwogen dat het bezwaarschrift is ingediend binnen zes weken na bekendmaking van het (primaire) besluit, zodat het bezwaarschrift, nu het voldoet aan de overige door de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde eisen, ontvankelijk is.

1.4. Inhoudelijk heeft de korpsbeheerder de functiebeschrijving, behoudens aanvulling van de hoofdtaak ‘overige taken’ met het taakelement “optreden als docent bij observatie-opleidingen”, ongewijzigd gehandhaafd. De korpsbeheerder heeft geen aanleiding gezien de aldus beschreven functie opnieuw te waarderen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover appellant is ontvangen in zijn bezwaar tegen de weergave in de functiebeschrijving van de niveaubepalende elementen. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 juli 1999, LJN AA8646 en TAR 1999, 125. In zoverre is het bestreden besluit vernietigd en is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In dit verband is bepaald dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.

De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat de geactualiseerde beschrijving van de functie van projectleider observatieteam een juiste weergave vormt van de aan appellant opgedragen en door hem feitelijk verrichte werkzaamheden alsmede dat de korpsbeheerder geen aanleiding heeft behoeven te zien de functie anders te waarderen.

3. Appellant kan zich niet verenigen met die uitspraak. Hij acht de verwijzing van de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 1999 onjuist omdat in die situatie de functie werd beschreven met het oog op de waardering van de functie, neer te leggen in een afzonderlijk waarderingsbesluit.

Verder is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op de wezenlijke verzwaring van de bij het bureau GC vervulde functie van projectleider. Anders dan bij het bureau IOE is zijns inziens hier geen sprake van een ‘gewone’ projectleider.

4.1. De korpsbeheerder heeft in hoger beroep alsnog het standpunt ingenomen dat appellant door hem ten onrechte is ontvangen in diens bezwaar. De korpsbeheerder is nader van oordeel dat het bezwaarschrift van appellant te laat is ingediend omdat dit pas op 15 september 2003 verzonden (en op 16 september 2003 ontvangen) is. Uitgaande van een bekendmaking van het primaire besluit - naar opvatting van de korpsbeheerder daterend van 1 augustus 2003 - op 1 augustus 2003, is sprake van een overschrijding van de in de Awb voorgeschreven termijn van zes weken. Verwijzend naar rechtspraak van de Raad komt appellant geen langere termijn toe, aldus de korpsbeheerder. Hem is niet gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij acht de mededeling van appellant dat deze het besluit ontvangen heeft op 6 augustus 2003 niet van belang.

4.2. De korpsbeheerder heeft zijn inhoudelijke stellingname met betrekking tot de juistheid van de functiebeschrijving gehandhaafd en kan zich in zoverre vinden in de aangevallen uitspraak.

5. De Raad overweegt naar aanleiding van deze standpunten van partijen als volgt.

5.1. Anders dan de korpsbeheerder stelt, is hier sprake van een primair besluit van 14 juli 2003; op die datum immers is de functiebeschrijving vastgesteld. Dit besluit is naar de stelling van de korpsbeheerder op 1 augustus 2003 bekendgemaakt door verzending per post op die datum. Van een bekendmaking op die datum ontbreekt echter enig deugdelijk bewijsstuk terwijl ook niet anderszins aannemelijk is gemaakt dat het primaire besluit op 1 augustus 2003 per post is verzonden. Er is slechts een algemene verklaring van de chef van het bureau Documentatie en Informatievoorziening dat alle (tijdig) aan het bureau aangeboden poststukken dezelfde dag per post worden verzonden. Onder die omstandigheden en mede gezien de verklaring van appellant dat hij het primaire besluit op 6 augustus 2003 heeft ontvangen en gegeven de onder 1.3. weergegeven uitdrukkelijke overweging in het bestreden besluit betreffende de tijdigheid van het bezwaar, kan de Raad niet tot de conclusie komen dat appellant zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend.

5.2.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1999. Zoals in die uitspraak het geval was, is ook hier sprake van een situatie dat een functie is beschreven met het oog op de waardering daarvan. Dat die waardering al dan niet wordt neergelegd in een afzonderlijk waarderingsbesluit, doet niet af aan het karakter van de beschrijving van de functie. De rechtbank heeft het bezwaar tegen de weergave van de niveaubepalende elementen dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.2.2. De Raad deelt het standpunt van appellant dat de korpsbeheerder

ten onrechte is blijven uitgaan van de functie van ‘gewone’ projectleider bij het bureau IOE. Sinds jaren heeft appellant immers niet meer die functie vervuld, maar de functie van projectleider bij het bureau GC. Daaraan kan niet afdoen dat aanvankelijk sprake is geweest van een tijdelijke opdracht tot het vervullen van die functie. Terecht heeft appellant betoogd dat op grond van de Uitvoeringsregeling de individuele functie van de ambtenaar beschreven moet worden, zodat het structureel werkzaam zijn in de andere omgeving (van het bureau GC) in de functiebeschrijving tot uitdrukking moet komen.

6. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de korpsbeheerder in zoverre in strijd heeft gehandeld met de Uitvoeringsregeling. De aangevallen uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven. Het bestreden besluit moet worden vernietigd en de korpsbeheerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant moeten nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant, die worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover in onderdeel 3 van het dictum het beroep van appellant ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep ook in zoverre gegrond en vernietigt in zoverre het bestreden besluit;

Draagt de korpsbeheerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het verzoek om proceskostenveroordeling is afgewezen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.288,-, te betalen door de politieregio [politieregio];

Bepaalt dat de politieregio [politieregio] aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 207,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

Q