Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
06/3306 NABW, 06/3307 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2007-04-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/279

Uitspraak

06/3306 NABW

06/3307 NABW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante) en [appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 mei 2006, 05/1571

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Appelman, die tevens voor appellant is opgetreden. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. de Beurs, advocaat te Den Helder.

Tevens is daar gehoord de door appellante meegebrachte getuige [de J.], wonende te [woonplaats].

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluiten van 22 februari 2005 heeft het College de aan appellante toegekende bijstand ingetrokken met ingang van 1 januari 1982, de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 januari 2005 van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 90.356,-- en deze kosten mede teruggevorderd van appellant. De besluiten zijn op 3 maart 2005 in persoon aan appellanten uitgereikt.

Bij besluit van 7 juni 2005 heeft het College de namens appellanten tegen de besluiten van 22 februari 2005 gemaakte bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellanten tegen het besluit van 7 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Zowel appellante als appellant hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De ongegrondverklaring van het beroep van appellanten door de rechtbank berust in hoofdzaak op de volgende overwegingen:

“Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voorzover hier van belang, bedraagt de termijnen voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb, voor zover hier van belang, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank stelt vast dat de besluiten van 22 februari 2005, gelet op de in het dossier aanwezige exploiten van de deurwaarder, door verweerder op 3 maart 2005 zijn bekendgemaakt door uitreiking in persoon. De bezwaartermijn is derhalve aangevangen op 4 maart 2005 en geëindigd op 14 april 2005. Het bezwaarschrift is gedateerd op 15 april 2005 en is door verweerder op dezelfde datum ontvangen. Mitsdien is geen sprake van een tijdig ingediend bezwaarschrift in de zin van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de termijnoverschrijding is te verontschuldigen. Met de door eisers aangedragen reden van de te late indiening - het zijn van analfabeet en de problemen met het vinden van een advocaat - is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij in de periode van 3 maart 2005 tot en met 14 april 2005 buiten staat waren hun belangen op adequate wijze te behartigen. Integendeel, uit het feit dat zij een advocaat hebben kunnen inschakelen blijkt dat zij wel degelijk in staat waren hun belangen te behartigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat de termijnoverschrijding op deze gronden niet verschoonbaar is te achten.”.

De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen en neemt deze over.

In hetgeen in hoger beroep namens appellanten is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen. De Raad tekent daarbij aan dat blijkens het verhandelde ter zitting appellanten zich tijdig van hulp van de advocaat mr. V.E. de Haas hebben voorzien die voor hen een formeel bezwaarschrift heeft ingediend. Anders dan deze advocaat kennelijk meende, was in dit geval 14 april 2005 de laatste dag van de bezwaartermijn en 15 april 2005, de dag waarop deze advocaat zijn namens appellanten ingediende voorlopig bezwaarschrift per telefax aan het College heeft doen toekomen, de in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift verstreken. Volgens vaste rechtspraak dient in gevallen van termijnoverschrijding een (beoordelings)fout van degene, die is ingeschakeld om de belangen van een rechtzoekende te behartigen, te worden toegerekend aan de justitiabele. De Raad ziet, mede in het licht van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde jurisprudentie over artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in het geval van appellanten geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Het beroep op de uitspraak van dat Hof van 20 april 2004, LJN AP1457, slaagt niet, omdat de daarin behandelde zaak niet vergelijkbaar is met de nu voorliggende zaak van appellanten. Van de in de artikelen 6:7 tot en met 6:11 en 7:1 van de Awb neergelegde regeling kan niet worden gezegd dat, in verhouding tot het daarmee te bereiken doel, een te zware last wordt gelegd op de justitiabele.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

BKH 120407