Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-1719 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering. Geschikt voor de maatmanarbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1719 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 februari 2005, 04/646 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de voormalige werkgever van appellant op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hierop is van de zijde van de werkgever niet gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk werkzaam als schoonmaker.in een glasfabriek. Hij is op 26 augustus 2002 uitgevallen met psychische en pijnklachten. De verzekeringsarts M. Wirtz heeft na onderzoek van appellant en na kennisname van informatie over appellant van het Medisch Centrum Mesos en de huisarts een expertise door de psychiater J. IJsselstein noodzakelijk geacht. Deze concludeert, eveneens na onderzoek van appellant, in zijn rapportage van 8 september 2003 tot een depressieve stoornis, licht van ernst, chronisch, een paniekstoornis met agorafobie en bijwerkingen van geneesmiddelen NAO (antidepressiva). IJsselstein geeft een aantal beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, zoals met betrekking tot werken onder tijdsdruk, productielimieten en deadlines, werken in conflictsituaties en leidinggeven en verantwoordelijkheid. Appellant heeft voorts behoefte aan structuur, alsmede stimulerende dan wel corrigerende feedback. Verder is de hoge dosering van het door appellant gebruikte antidepressieve middel Seroxat, dat tot sufheid leidt, van belang voor risicovol werk. IJsselstein ziet een niet-ongunstige prognose voor appellant, gelet op de blanco voorgeschiedenis, het langdurig probleemloos functioneren in het verleden en de betrekkelijk blanco familieanamnese. Met een goede therapeutische aanpak en een herbeoordeling van de medicatie zijn er voor appellant zeker goede mogelijkheden voor verbetering. Mede met inachtneming van het vorenstaande formuleerde Wirtz een aantal beperkingen, hetgeen uitwerking vond in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 oktober 2003. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige C. van der Hoeven, blijkens haar rapport van 27 oktober 2003, appellant primair geschikt geacht voor zijn eigen maatgevende arbeid als schoonmaker en appellant subsidiair in staat geacht tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de hem voorgehouden functies en aldus diens verlies aan verdienvermogen op nihil berekend.

In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 29 oktober 2003 geweigerd aan appellant met ingang van 25 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verstrekken.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal de belastbaarheid van appellant opnieuw in kaart gebracht. In zijn rapportage van 20 februari 2004 concludeerde hij, na onder andere weging van de beschikbare gegevens van de behandelend sector en van de expertise van IJsselstein, dat de primair oordelende verzekeringsarts op grond van compleet, zorgvuldig onderzoek (dit laatste in het bijzonder door een psychiatrische expertise te laten verrichten) in redelijkheid tot vaststelling van de resterende arbeidsmogelijkheden van appellant heeft kunnen komen. Admiraal heeft hierbij overwogen dat de primaire verzekeringsarts de door de psychiater vermelde beperkingen nauwkeurig in de FML heeft overgenomen. Met name de door de psychiater noodzakelijk geachte aanpassing ten behoeve van vervoer naar en van de werkplek is volgens Admiraal door de primaire verzekeringsarts en vervolgens door de primaire arbeidsdeskundige ter harte genomen, zij het dat het aangewezen zijn van appellant op een werkvoorziening functieduiding niet in de weg staat.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2004 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 27 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

Het hoger beroep keert zich primair tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant meent dat het Uwv de voor hem geldende beperkingen, voortvloeiende uit zijn ernstige psychische klachten, heeft onderschat.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de verzekeringsarts Wirtz opgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts Admiraal geaccordeerde FML geen juiste weergave vormt van de bij appellant ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt daarbij dat Admiraal blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellant kennis droeg van uitgebreide over hem beschikbare informatie van de behandelend sector en deze heeft gewogen mede in het licht van de expertise van IJsselstein. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

Met betrekking tot het arbeidskundige aspect van de schatting overweegt de Raad het volgende.

Blijkens haar eerdervermelde rapportage achtte de arbeidsdeskundige Van der Hoeven appellant, gelet op zijn beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren, primair geschikt voor zijn maatgevende arbeid als schoonmaker. Van der Hoeven wijst er in haar rapportage evenwel op dat het arbeidscontract van appellant met zijn toenmalige werkgever op 12 november 2002 is ontbonden.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde in beginsel als de zogeheten maatman te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid verricht als de verzekerde verrichtte voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Geschiktheid voor deze maatmanarbeid brengt in beginsel met zich dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit is evenwel anders als hervatting in de oude functie niet mogelijk is en de maatmanarbeid zo specifiek is dat soortgelijke arbeid met eenzelfde belasting en beloning bij andere werkgevers niet of nauwelijks voorhanden is.

In het geval van appellant is de maatman de schoonmaker. De Raad acht het, mede gelet op het verhandelde ter zitting, aannemelijk dat ten tijde van de datum in geding soortgelijk werk bij in elk geval andere werkgevers met eenzelfde belasting en beloning in voldoende mate aanwijsbaar was. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de omschrijving van de maatman in het rapport van Van der Hoeven niet kan worden gezegd dat de maatmanfunctie geen algemeen gangbare schoonmaakfunctie was.

Het Uwv heeft derhalve bij het bestreden besluit terecht het primaire besluit gehandhaafd, inhoudende dat appellant met ingang van 25 augustus 2003 geschikt is om zijn eigen arbeid te verrichten en dat hem per die datum geen arbeidsongeschiktheidsuitkering kon worden toegekend.

Gelet op het vorenstaande kan de grief tegen de subsidiaire grondslag van het bestreden besluit – de geschiktheid van appellant voor het verrichten van de door de arbeidsdeskundige geduide functies – naar het oordeel van de Raad onbesproken blijven.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.W. Engelhart.