Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4288

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
04-5784 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering. (Nadere) motivering van besluit. CBBS-systeem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5784 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 oktober 2004, 2004/790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2006. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Mostert.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv schriftelijke inlichtingen verstrekt.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2007. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als automonteur, is in 1992 uitgevallen met rugklachten. Daar zijn later psychische klachten bijgekomen. Hem is per 28 december 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar het arbeidsongeschiktheidspercentage 80 tot 100%. Op 2 december 2003 is appellant in het kader van een herbeoordeling onderzocht door een verzekeringsarts. Deze stelde de diagnoses aspecifieke rugpijn na HNP-operatie in 1993 en spanningsklachten bij een persoonlijkheidsstructuur met gemengde kenmerken, waaronder dwangmatige trekken. Op basis daarvan nam de verzekeringsarts zowel fysieke als psychische beperkingen aan, die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis van deze FML heeft een arbeidsdeskundige functies uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geselecteerd en op basis van de SBC-codes 264122 (machinaal metaalbewerker), 111180 (productiemedewerker industrie) en 264140 (samensteller metaalwaren) het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 53,6%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 15 december 2003 de WAO-uitkering van appellant per 12 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 20 april 2004 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Ter onderbouwing daarvan heeft appellant een rapport ingezonden van de zenuwarts A.M.A. Groot van 11 mei 2005 waarin deze, onder meer, als zijn oordeel geeft dat appellant niet met arbeid te belasten is.

De Raad stelt vast dat zenuwarts Groot appellant in mei 2005 heeft onderzocht. Met behulp van de DSM IV heeft hij op as I de diagnoses dysthymie, slecht slapen door nachtmerries en een pijnstoornis gesteld. Op as II heeft hij geconcludeerd tot een dwangmatige persoonlijkheidsstoornis bij evidente psychastene kenmerken. De GAF-score heeft hij op 55-60 gesteld. Vervolgens heeft hij geconcludeerd dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.

De Raad volgt het oordeel van zenuwarts Groot niet. Naar het oordeel van de Raad ligt, gelet op de diagnoses en de overige onderzoeksbevindingen, de conclusie van Groot dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft bepaald niet voor de hand. De Raad deelt de opvatting van bezwaarverzekeringsarts K. Corten dat Groot met name is afgegaan op de subjectieve beleving door appellant van diens klachten.

De Raad is van oordeel dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven voor de conclusie dat de (bezwaar)verzekeringsarts de psychische beperkingen van appellant heeft onderschat. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 2 december 2003 blijkt dat appellant een probleem met agressieregulatie heeft dat adequaat lijkt te zijn behandeld, want appellant kon daar ten tijde van belang goed mee omgaan. Dat appellant een traumatische jeugd heeft gehad die van invloed is op zijn psychische toestand wordt niet ontkend, maar dit laat onverlet dat appellant met de daaruit voortvloeiende psychische problematiek jarenlang heeft kunnen werken. Bovendien is appellant blijkens zijn dagverhaal in staat om een redelijk normaal leven te leiden, hetgeen er op wijst dat hij ook gangbare arbeid moet kunnen verrichten. De door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies kunnen als zodanig worden aangemerkt.

De Raad stelt echter vast dat het Uwv niet eerder dan in hoger beroep een adequate toelichting heeft gegeven op de in de functiebelastingen van de geselecteerde functies eventueel voorkomende overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant. Gelet op zijn jurisprudentie met betrekking tot de motivering van besluiten tot stand gekomen met het CBBS-systeem is de Raad van oordeel dat dit ertoe leidt dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven.

De Raad zal thans beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De Raad is van oordeel dat de voor appellant geselecteerde functies, in aanmerking genomen voormelde toelichting, voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Gelet op het inkomen dat appellant met deze functies kan verdienen is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht vastgesteld op 45 tot 55%. Dit betekent dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.