Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4265

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-3733 AW
Formele relaties
Einduitspraak na bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2011:BR2506
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nadere stukken, Ontvankelijkheid, Omvang van het geding, Motivering aangevallen uitspraak, Overtolligheid, Besluit inzake structuur masteropleidingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3733 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 april 2005, 03/3011 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Bestuur van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 19 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met zaak 05/3732 AW, plaatsgevonden op 15 maart 2007. Appellant is verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Cartigny, advocaat te Rotterdam en door

prof. dr. F.J.M. de Ly en A.C. Tinnenbroek, beiden verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Het onderzoek ter zitting is voor korte duur geschorst geweest in verband met het nemen van een tussenbeslissing.

Na het onderzoek ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als universitair docent in de sectie Algemene Rechtsver-gelijking van de faculteit der Rechtsgeleerdheid. Ten gevolge van een reorganisatie van die faculteit is de collega universitair docent bij deze sectie bij besluit van 8 juli 2002 overtollig verklaard. In het formatieplan was slecht één formatieplaats voor een universitair docent Algemene rechtsvergelijking opgenomen. Bij het besluit is aangegeven dat geen aanleiding werd gezien om af te wijken van de in artikel 12.5 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Nederlandse Universiteiten (CAO NU) voorgeschreven ontslagvolgorde. Voorts is aangegeven dat niet tot ontslag zal worden overgegaan omdat verwacht werd dat die collega andere passende werkzaamheden binnen de faculteit zou aanvaarden. Bij besluit van 9 juli 2002 heeft het faculteitsbestuur van genoemde faculteit de structuur van de masteropleiding rechtsgeleerdheid, bedrijfsrecht en financieel recht vastgesteld.

1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten van 8 en 9 juli 2002. Bij het bestreden besluit van 23 oktober 2003 zijn de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 8 en 9 juli 2002 alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellant heeft een groot aantal grieven aangevoerd tegen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, waarbij, ter aanvulling van het rechtbankdossier, veel nadere stukken zijn overgelegd. Het college heeft hierop gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt hieromtrent als volgt.

4.1. Nadere stukken

4.1.1. Zoals na de schorsing ter zitting reeds is meegedeeld, laat de Raad de zogenoemde Nadere stukken, die door appellant bij brief van 4 maart 2007 nog zijn ingezonden, en die de Raad op 5 maart 2007 heeft ontvangen, buiten beschouwing. Hij honoreert daarmee het bezwaar van het college. Dat vindt zijn grond in de aan artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ten grondslag liggende beginselen van een goede procesorde. Die beginselen worden geschonden doordat, terwijl reeds sprake is van een zeer omvangrijk dossier, zeer kort voor de zitting een groot aantal stukken (van meer dan 100 bladzijden) in het geding wordt gebracht betreffende - blijkens aangebrachte tabbladen - een twintigtal onderwerpen, waarvan bovendien de betekenis voor dit geding niet bij eerste oogopslag duidelijk is. De Raad heeft daarbij opgemerkt dat appellant ruimschoots de gelegenheid heeft gehad stukken in te dienen, en dit temeer nu de oorspronkelijke zitting van 14 september 2006 op zijn verzoek geen doorgang heeft gevonden. Tot slot heeft de Raad erop gewezen dat hier niet alleen de positie van de andere partij in het geding is, maar ook die van de rechter die zich behoorlijk moet kunnen voorbereiden op de zitting.

4.2. Omvang van het geding

4.2.1. Namens het college is voorts aangevoerd dat het hoger beroep niet beide onder-delen van het bestreden besluit omvat, nu bij het eerste aanvullend beroepschrift slechts is ingegaan op het (overtolligheids)besluit van 8 juli 2002 en de grieven tegen het besluit tot vaststelling van de structuur van de masteropleiding van 9 juli 2002 pas bij een nader aanvullend beroepschrift zijn ingebracht. Ook hierin volgt de Raad het college niet, nu hoger beroep is ingesteld tegen de gehele aangevallen uitspraak, die een oordeel omvat ten aanzien van beide onderdelen van het bestreden besluit. De enkele omstandigheid dat pas in het tweede aanvullend beroepschrift nader is ingegaan op het tweede onderdeel doet hieraan onvoldoende af.

4.3. Motivering aangevallen uitspraak

4.3.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 7 april 1998, LJN ZB7563 en AB 1999,32, heeft overwogen, vloeit uit artikel 8:69 en uit artikel 8:77 van de Awb niet voort dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk moet ingaan. Dit is blijkens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens niet anders ten aanzien van de op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aan rechterlijke uitspraken te stellen motiveringseisen, zoals namens het college terecht is aangevoerd. De Raad heeft niet tot de conclusie kunnen komen dat de rechtbank in haar motiveringsplicht tekort is geschoten en ook de Raad zal zich beperken tot de kern van de door appellante naar voren gebrachte grieven. Hierbij wordt opgemerkt dat veel van die grieven niet rechtstreeks betrekking hebben op het in dit geding bestreden besluit, maar op situaties en besluiten die dateren van voor of na dat besluit, zodat deze van beperkte betekenis zijn voor het onderhavige geding.

4.4. Overtolligheid

4.4.1. Bij het onder 1.1. genoemde besluit van 8 juli 2002 is de daar bedoelde collega van appellant als gevolg van genoemde reorganisatie overtollig verklaard. Appellant heeft tegen het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat zijn belang niet rechtstreeks bij dit besluit betrokken is, de grief ingebracht dat zijn takenpakket is verdubbeld door het vertrek van zijn collega. Dit is van de zijde van het college bestreden, hetgeen met cijfers is onderbouwd. Deze cijfers laten zien dat de sectie al langer structureel overbezet was, op grond waarvan appellant ook vanaf 1996 tot 1 januari 2002 elders gedetacheerd is geweest, en dat het takenpakket van appellant van normale omvang is gebleven na het vertrek van zijn collega. Dat appellant en deze collega hebben gepleit voor een dienst-verband van 50% voor beiden bij de sectie Algemene Rechtsvergelijking wijst ook niet in een andere richting. Nu appellant feitelijk geen belang heeft bij genoemd besluit, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat hij niet-ontvankelijk is in dit onderdeel van zijn bewaar.

4.5. Besluit inzake structuur masteropleidingen

4.5.1. Appellant heeft met name bezwaar tegen de implicatie van het besluit van 9 juli 2002 dat de masteropleidingen “Vergelijkend Staatsrecht” en “Vergelijkend strafrecht” als alternatief kunnen dienen voor het vak Rechtsvergelijking, waardoor mogelijk het aantal studenten voor Rechtsvergelijking zal dalen, hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de formatie van de sectie. Als veronderstellenderwijs met appellant wordt aange-nomen dat het besluit van 9 juli 2002 een definitief besluit behelst met betrekking tot de structuur van de masteropleidingen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat op grond van dit mogelijke toekomstige effect van het besluit niet kan worden gezegd dat appellant daarbij een rechtstreeks en persoonlijk belang heeft, zodat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende. De rechtbank heeft het bezwaar tegen het besluit van 9 juli 2002 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht de bezwaren van appellant ten aanzien van de besluiten van 8 en 9 juli 2002 niet-ontvankelijk verklaard en komt de Raad evenmin toe aan de overige grieven van appellant. De aangevallen uitspraak dient dus te worden bevestigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

Q.