Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
03-05-2007
Zaaknummer
06-3810 wubo
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitbreiding van vervoersvoorziening. Nadere motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 208

Uitspraak

06/3810 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep doen instellen tegen verweersters besluit van 12 mei 2006, kenmerk JZ/P70/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 februari 2007. Hier is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.C.H.M. van Beurden, advocaat te Waalwijk, als zijn raadsvrouwe. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1937, is op grond van granaatverwondingen aan gelaat, handen en knieën en op grond van psychische klachten erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is aan hem onder meer met ingang van 17 maart 1988 op grond van artikel 32 van de Wet een vervoerskostenvoorziening toegekend. Bij besluit van verweerster van 17 december 2001 is aan appellant met ingang van 1 oktober 2000 een uitbreiding toegekend van deze vervoersvoorziening in die zin dat appellant een vergoeding van de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten is toegekend tot 10.000 km per jaar, zijnde een bedrag van fl. 332,00 (€ 150,66) per maand.

Bij schrijven van 27 september 2005 heeft appellant verweerster gemeld met het hem toegekende bedrag voor vervoerskosten niet uit te komen en in verband daarmee heeft appellant verweerster verzocht om een uitbreiding van het hem toegekende aantal kilometers tot 15.000 km per jaar en om verhoging van het hem daarvoor toegekende bedrag. Bij besluit van 9 december 2005 heeft verweerster de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat aan hem reeds het maximale bedrag voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten is toegekend en het toekennen van een hoger bedrag niet mogelijk is. Deze afwijzing heeft verweerster na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

Appellant heeft grieven ingebracht tegen de weigering van verweerster het voor hem geldende aantal kilometers dat voor vergoeding in aanmerking komt, te verhogen en voorts tegen het ongewijzigd handhaven van het door verweerster bij een vergoeding van kosten voor sociaal vervoer gehanteerde normbedrag.

De Raad overweegt als volgt.

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat in de persoonlijke omstandigheden van appellant geen indicatie aanwezig is op grond waarvan aan hem een vergoeding moet worden toegekend voor extra autokosten voor meer dan 10.000 km per jaar. Daartoe heeft verweerster als uitgangspunt gehanteerd dat een vervoersbehoefte van 14.000 km per jaar algemeen gebruikelijk is en dat uit de door appellant overgelegde gegevens blijkt dat hij minder dan 24.000 km per jaar rijdt. Dit laatste punt is door appellant met vrucht bestreden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat zijn huidige auto, een Volvo S40, die blijkens de datum van tenaamstelling van het kentekenbewijs sedert 1 april 2004 in zijn bezit is en toen een kilometerstand had van 26.499 km, op 6 oktober 2004 bij een 40.000 km beurt een kilometerstand vertoonde van 40.125 km, hetgeen op jaarbasis neer komt op een vervoersbehoefte van ruim 27.000 km per jaar. Op dit onderdeel kan het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

Aan de in het bestreden besluit neergelegde weigering om aan appellant een groter aantal kilometers te vergoeden, ligt mede, naar namens verweerster ter zitting is aangevoerd en naar uit de gedingstukken blijkt, het door verweerster bij toepassing van artikel 32 van de Wet sedert 1 januari 2002 gehanteerde uitgangspunt ten grondslag dat slechts voor maximaal 5.000 km per jaar extra vervoerskosten een vergoeding wordt verleend.

Naar de Raad eerder heeft overwogen, is verweerster in beginsel gerechtigd om bij de thans voorliggende voorziening uit te gaan van een normering, zowel wat betreft het aantal kilometers waarvoor vergoeding mogelijk is, als wat betreft het voor de vergoeding geldende normbedrag. Wel zal verweerster, waar toepassing van artikel 32 van de Wet aan de orde is, hebben na te gaan of er medische aan de oorlogsinvaliditeit gerelateerde redenen zijn om van de gehanteerde normen af te wijken. In het geval van appellant is dit achterwege gelaten. Het bestreden besluit, noch het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit berust op een medisch advies betreffende de vraag of het aantal kilometers dat appellant extra rijdt, oorlogsgerelateerd is en afwijking van de door verweerster gehanteerde norm noodzakelijk maakt. Nu verweerster op beleidsmatige gronden tot het oordeel is gekomen dat appellant niet in aanmerking kan komen voor de gevraagde uitbreiding van de hem toegekende kilometers voor het onderhouden van sociale contacten, komt het bestreden besluit ook hierom voor vernietiging in aanmerking op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad ziet voorts nog aanleiding op te merken dat het door verweerster gehanteerde normbedrag voor de onderhavige kilometervergoeding, naar ter zitting is toegelicht, is gebaseerd op een door de ANWB opgestelde kostencalculatie voor een auto in de laagste prijsklasse, welk bedrag door verweerster jaarlijks wordt nagetrokken en zo nodig bijgesteld. Naar de Raad reeds meermalen heeft uitgesproken is deze handelwijze van verweerster bij de toepassing van artikel 32 van de Wet in het algemeen aanvaardbaar. Ook in het geval van appellant acht de Raad deze handelwijze aanvaardbaar. De omstandigheid dat appellant een auto rijdt, die bepaald niet in de laagste prijsklasse valt en dat hij daardoor niet met het toegekende normbedrag uitkomt, acht de Raad een omstandigheid die geheel voor rekening van appellant moet blijven.

Het had verweerster evenwel naar het oordeel van de Raad niet misstaan op dit punt een nadere motivering op te nemen in het bestreden besluit, nu hiervan door appellant in bezwaar nadrukkelijk een punt is gemaakt.

De Raad acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellant, tot een bedrag van € 644,- aan kosten van juridische bijstand en € 25,80 aan reiskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 669,80, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) W.M. Szabo.