Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
05-1866 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eventuele arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van de problemen met de linkerduim en -hand is voortgevloeid uit een andere ziekteoorzaak dan die welke ten grondslag lag aan het gedurende 52 weken ongeschikt zijn tot het verrichten van haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/1866 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 maart 2005, 2004/1436 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 7 maart 2007, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad heeft op 4 mei 2005 tussen partijen een uitspraak gedaan waaraan het navolgende wordt ontleend.

Appellante was via Manpoweruitzendorganisatie bv werkzaam bij Nedcar toen zij op 28 juni 1999 uitviel met onder andere klachten van haar rechterarm. Gedaagde weigerde aanvankelijk appellante uitkering van ziekengeld te verstrekken, onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid van appellante reeds bestond bij aanvang van haar verzekering. Na gegrondverklaring van het bezwaar tegen deze beslissing bij besluit van 19 mei 2000 kende gedaagde appellante alsnog over de maximale termijn van 52 weken ziekengeld toe.

Appellante had inmiddels in november 1999 een aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG) ingediend, waarop gedaagde bij besluit van 10 juli 2000 afwijzend reageerde. Het bezwaar tegen dit besluit verklaarde gedaagde gegrond omdat de aanspraken van appellante niet op grond van de WAJONG maar op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) hadden moeten worden beoordeeld.

Na nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek weigerde gedaagde appellante bij twee afzonderlijke besluiten van

3 augustus 2001 uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen na het bereiken van de wachttijd op 25 juni 2000, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen, respectievelijk AAW-uitkering toe te kennen omdat appellante op en na 6 mei 1996 minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. Bij afzonderlijke besluiten van 27 mei 2002 (hierna: bestreden WAO-besluit, respectievelijk bestreden AAW-besluit) verklaarde gedaagde beide bezwaren van appellante ongegrond. De rechtbank verklaarde beide beroepen, eveneens bij afzonderlijke uitspraken, ongegrond.

In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte heeft gemeld dat er geen objectieve afwijkingen aan haar rechterarm zijn. Ten bewijze van de stelling dat er wel sprake is van objectieve afwijkingen heeft zij stukken in geding gebracht met betrekking tot een aan haar in bruikleen verstrekte electrostimulator, een door haar ondergane behandeling middels een mannitolinfuus en een aangebracht inwendig apparaat voor inwendige neurostimulatie (ESES). Tevens heeft zij gesteld dat zij op grond van beperkingen aan haar arm niet in staat is de geselecteerde functies te verrichten en dat de redenering dat zij geen jeugdgehandicapte kan zijn omdat zij in het verleden heeft gewerkt, onjuist is.

De Raad overweegt het volgende

De Raad overweegt allereerst dat het in deze gedingen gaat om twee te beoordelen data, namelijk 6 mei 1996 en 26 juni 2000. De verzekeringsarts X. Janssen-Brandt heeft zich blijkens haar rapport van 13 maart 2001 op het standpunt gesteld dat er reeds voor de 17e verjaardag pols- en rugklachten aanwezig waren, dat die hebben geleid tot het aannemen van beperkingen op de 17e verjaardag en dat nadien geen sprake is geweest van een toename of afname van die beperkingen. Mede omdat appellante dit standpunt niet heeft betwist, gaat de Raad uit van juistheid van dit standpunt.

Het standpunt van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts heeft gemeld dat er geen objectieve afwijkingen aan haar rechterarm zijn is juist. Dit betekent echter geenszins dat er geen rekening is gehouden met beperkingen in het gebruik van de rechterarm. Appellante is op 1 mei 2000 en op 13 maart 2001 op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts Janssen-Brandt. Blijkens haar rapportages van laatstgenoemde datum en van 2 en 23 mei 2000 is er sprake van gewrichtsklachten van de rechterpols als gevolg van frequente ongevallen aan de rechterarm die appellante sinds haar jeugd zijn overkomen. Janssen-Brandt acht het aannemelijk dat de beperkingen in de rechteronderarm vanaf de vroege jeugd aanwezig zijn, maar dat de klachten pas ontstonden bij belasting na het starten van werk. Bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon heeft Janssen-Brandt rekening gehouden met onder meer de polsklachten. De huisarts van appellante heeft desgevraagd aan Janssen-Brandt bij brief van 9 mei 2000 informatie verstrekt, waaruit blijkt dat appellante in 1997 bij de orthopedisch chirurg is geweest in verband met de pijnklachten aan de rechterpols, dat er toen bij röntgenonderzoek en arthrogram geen afwijkingen zijn gevonden, dat een expectatief beleid is uitgezet, dat appellante zich in maart 1998 weer bij de huisarts heeft gemeld vanwege haar aanhoudende polsklachten en dat haar toen is geadviseerd polsoefeningen te doen.

De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft blijkens haar rapport van 8 november 2001 tevens aangegeven dat de oorzaak van de klachten aan de rechteronderarm niet geheel duidelijk zijn, maar dat de klachten imponeren als plausibel en consistent. In haar rapport van 25 april 2002 heeft Jonker expliciet aangegeven dat zij zich kan verenigen met het door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon dat er op neerkomt dat zware belasting van de rechterhand en rechterpols vermeden moet worden.

Bij brief van 15 december 2003 heeft mr. Grégoire namens appellante een verzoek om toekenning van een WAO-uitkering op grond van de Wet Amber ingediend. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2004 geweigerd appellante een WAO-uitkering toe te kennen terzake van haar sinds 11 april 2003 ingetreden arbeidsongeschiktheid, omdat die arbeidsongeschiktheid niet is voortgekomen uit dezelfde oorzaak op grond waarvan appellante vroeger 52 weken arbeidsongeschikt is geweest voor het verrichten van haar arbeid wegens ziekte of gebreken, maar zij nadien geen recht had op toekenning van een WAO-uitkering omdat zij na die 52 weken niet arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 april 2004 heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat alleen indien er sprake is van een evident andere ziekteoorzaak appellante geen recht heeft op heropening/verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de hiervoor gedeeltelijk weergegeven uitspraak van de Raad van 4 mei 2005 blijkt dat appellante gedurende 52 weken ongeschikt is geweest tot het verrichten van haar arbeid, maar dat appellante na ommekomst van deze termijn geen recht kon doen gelden op een WAO-uitkering. Onder deze omstandigheden kan appellante bij het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de weigering van de WAO-uitkering slechts op grond van artikel 43a van de WAO alsnog aanspraak maken op een WAO-uitkering. In dat geval geldt als criterium dat buiten twijfel dient te staan dat de arbeidsongeschiktheid is voortgevloeid uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 11 december 2001 (LJN: AL1341).

Uit het rapport van verzekeringsarts R. Kox van 5 maart 2004 blijkt dat appellante na een val op 11 april 2003 haar linkerduim heeft gebroken, dat zij na 9 weken gipsimmobilisatie een verdenking op dystrofie aan de linkerduim heeft ontwikkeld en dat zij ondanks behandeling nog steeds last houdt van pijnklachten aan de duim.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv zich terecht op het standpunt gesteld dat buiten twijfel staat dat de eventuele arbeidsongeschiktheid die het gevolg is van de problemen met de linkerduim en -hand is voortgevloeid uit een andere ziekteoorzaak dan die welke ten grondslag lag aan het gedurende 52 weken na 28 juni 1999 ongeschikt zijn tot het verrichten van haar arbeid. In laatstgenoemde situatie ging het steeds om de problemen die appellante sinds haar jeugd heeft ervaren aan de rechterarm. Naar het oordeel van de Raad is geen enkel verband te vinden tussen de val op 11 april 2003 die een breuk in haar linkerduim heeft veroorzaakt en de veel langer bestaande problemen aan haar rechterarm. Deze overwegingen leiden de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep van appellante terecht ongegrond heeft verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.