Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
05/5284 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad onderschrijft het standpunt van de staatssecretaris dat de kantonrechtersformule zich niet leent voor toepassing in geschillen betreffende de ambtelijke rechtspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5284 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2005, 04/2891 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 12 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. de Haas, verbonden aan de VBM/NOV. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E.B. Gorsira, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Tijdens zijn aanstelling als militair voor bepaalde tijd is appellant bij besluit van 26 maart 2001, hem toegezonden bij brief van 28 maart 2001, met ingang van 29 februari 2004 aangesteld als militair voor onbepaalde tijd. Dat aanstellingsbesluit is ingetrokken bij besluit van 19 september 2003. In bezwaar tegen dat intrekkingsbesluit heeft appellant, die inmiddels een andere functie buiten de defensieorganisatie had verkregen, toepassing van het Sociaal Beleidskader (SBK) aan de orde gesteld. Subsidiair heeft hij verzocht, in verband met het ontstane inkomensnadeel, hem zijn dienstjaren vermenig-vuldigd met zijn laatstverdiende maandsalaris uit te keren. Hij stelde daarmee aan te haken bij de zogenoemde kantonrechtersformule.

1.2. In het bestreden besluit van 8 juni 2004 heeft de staatssecretaris overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2004, LJN AO7753, dat hij bevoegd was tot intrekking van het aanstellingsbesluit van 26 maart 2001 onder toekenning van compenserende maatregelen. Hij trof die maatregelen - na afwijzing van toepassing van het SBK - in de vorm van een geldelijke vergoeding. Voor de berekening van die vergoeding heeft de staatssecretaris “aansluiting gezocht bij de kantonrechtersformule, welke pleegt te worden toegepast in geval van ontbinding ex artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek”. De staatssecretaris heeft de vijf dienstjaren van appellant vermenigvuldigd met het bruto maandsalaris en hij heeft de zogenoemde correctiefactor C bepaald op 0,25. De toegekende vergoeding bedroeg zodoende 1,25 bruto maandsalaris inclusief vakantietoeslag.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep niet gekeerd tegen de afwijzing van de toepassing van het SBK. Hij richt zijn grieven tegen de bepaling van de correctiefactor op 0,25. Zijns inziens moet, nu eenmaal besloten is tot toepassing van de kantonrechtersformule en niet sprake is van een bijzonder geval, de factor C worden bepaald op 1.

4. De staatssecretaris heeft betoogd dat niet besloten is tot volledige toepassing van de kantonrechtersformule, maar dat slechts aansluiting is gezocht bij die formule om zodoende in dit concrete geval tot een bedrag aan nadeelcompensatie te komen. Eerder is wel door een bestuursrechter op dezelfde wijze, met een correctiefactor C van 0,25 , een vergoedingsbedrag bepaald. Daaraan heeft de staatssecretaris toegevoegd dat het niet zijn beleid is om de formule, een puur civielrechtelijk instrument, toe te passen en dat hij daarbij ook niet meer aansluiting zoekt. Voorts is benadrukt dat het er om gaat dat het door appellant geleden nadeel wordt gecompenseerd. Dat nadeel bestaat uit een nadelig verschil van € 32,03 bruto per maand gedurende 12 maanden en is met de toekenning van 1,25 bruto maandsalaris meer dan volledig goedgemaakt, aldus de staatssecretaris.

5. De Raad overweegt naar aanleiding van deze standpunten van partijen als volgt.

Hij onderschrijft het standpunt van de staatssecretaris dat de kantonrechtersformule zich niet leent voor toepassing in geschillen betreffende de ambtelijke rechtspositie. Hij volgt de staatssecretaris ook waar deze stelt dat hij niet heeft beoogd die formule in dit geval zonder meer toe te passen, maar dat hem voor ogen heeft gestaan het vergoeden van het werkelijk door appellant geleden nadeel. Door aan te sluiten bij een eerder gekozen benadering met hantering van 0,25 voor de factor C, heeft de staatssecretaris een vergoeding toegekend die het door appellant geleden financiële nadeel (meer dan) compenseert. Nu verder slechts gesproken kan worden van een, overigens heel begrijpelijke, teleurstelling aan de kant van appellant, kan niet gezegd worden dat de staatssecretaris gehouden is tot toekenning van een verdergaande compensatie.

6. De aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, moet dus worden bevestigd.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 april 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) W.M. Szabo.