Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA4207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-04-2007
Datum publicatie
02-05-2007
Zaaknummer
06-2977 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de WUBO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/2977 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 28 april 2006, kenmerk JZ/M70/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 februari 2007. Aldaar is appellante in persoon verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in december 1995 bij verweerster een aanvraag ingediend die er primair toe strekt dat zij wordt erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Hierbij heeft zij aangegeven te lijden aan psychische klachten, die zij toeschrijft aan haar internering in kamp Soemobito tijdens de Bersiap-periode. Bij besluit van 23 september 1996, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 1997, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Hierbij is overwogen dat appellante is getroffen door ongeregeldheden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder f, van de Wet maar dat zij hierbij geen tot blijvende invaliditeit leidend psychisch letsel heeft opgelopen. Blijkens het aan dit besluit ten grondslag liggende medische advies heeft verweerster het standpunt ingenomen dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis waarvoor in appellantes levensloop een aantal oorzakelijke factoren kunnen worden aangegeven, waarbij haar verblijf in het kamp niet van doorslaggevend belang is geweest.

Een door appellante ingesteld beroep tegen laatst genoemd besluit is bij uitspraak van deze Raad van 26 augustus 1999, reg. nr. 97/8002 WUBO, ongegrond verklaard. De Raad heeft daarbij overwogen dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat de psychische klachten van appellante, voor zover deze hun oorzaak vinden in haar internering tijdens de Bersiap-periode hebben geleid tot blijvende invaliditeit, aangezien overtuigend naar voren komt dat bij appellante sprake is van tweede generatie oorlogs-problematiek, die haar oorzaak heeft in met name de affectieve verwaarlozing tijdens haar jeugd als gevolg van de omstandigheid dat haar ouders vlak na de oorlog zijn gescheiden en zij werd toegewezen aan haar autoritaire, agressieve en door de oorlog getraumatiseerde vader.

Bij schrijven van 2 juni 2005 heeft appellante zich andermaal tot verweerster gewend met een aanvraag ingevolge de Wet. In dit verband is door haar naar voren gebracht dat zij zich heeft gewend tot het Centrum’45, alwaar bij haar een posttraumatisch stress syndroom zou zijn geconstateerd. Verweerster heeft deze aanvraag van appellante afgewezen bij besluit van 2 november 2005 op de grond dat bij appellante geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is voor verweerster aanleiding geweest haar te onderwerpen aan een medisch onderzoek door de arts G. Kho, geneeskundig adviseur bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze is op basis van gegevens verkregen uit eigen onderzoek alsmede op grond van informatie van de huisarts en via de huisarts verkregen informatie van Centrum’45 tot het oordeel gekomen dat de bij appellante gevonden PTSS-symptoma-tologie, met angst voor agressie, naast de depressieve stoornis verklaard worden door de jarenlange mishandeling door de vader en later door de echtgenoot. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad is van oordeel dat verweerster door appellante te onderwerpen aan een nader medisch onderzoek de bij de voorbereiding van het thans bestreden besluit vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen en dat het besluit op basis van dit onderzoek ook voldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De Raad ziet uit de aldus omtrent appellante beschikbare medische informatie niet een wezenlijk ander beeld naar voren komen dan bij zijn eerdere uitspraak was aangenomen. Ook thans bieden de gedingstukken van medische aard geen grond voor het oordeel dat de ervaringen van appellante tijdens de Bersiap-periode een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van haar psychische klachten en dat de mishandelingen door vader en later de echtgenoot slechts tot een verergering zouden hebben gevoerd. De omstandigheid dat appellante, naar zij stelt, haar vader heeft vergeven voor zijn agressiviteit en mishandeling, doet dit niet anders zijn.

Het voorgaande betekent dat het beroep van appellante ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) W.M. Szabo.