Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
04/3731 WAO en 07/55 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/3731 WAO en 07/55 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 mei 2004, 03/1346 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.M. Vannisselroy, advocaat te Veldhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek te zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Vereyken, kantoorgenoot van mr. Vannisselroy. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huys.

II. OVERWEGINGEN

Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

Appellant was laatstelijk werkzaam als sloper/vrachtwagenchauffeur. Hij heeft zich op 6 december 1993 ziekgemeld.

Bij besluit van 29 september 1995 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 oktober 1995 ingetrokken. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank

’s-Hertogenbosch bij uitspraak van 13 mei 1997 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van de Raad van 5 oktober 2001 zijn die uitspraak en het besluit van 25 september 1995 vernietigd.

Ter uitvoering van ’s Raads uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 2 oktober 1995 herzien naar 35 tot 45%.

In het kader van de zogeheten vijfdejaarsherbeoordeling is bij besluit van 8 augustus 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 5 december 1999 ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%.

De tegen de besluiten van 18 januari en 8 augustus 2002 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 13 december 2002 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 december 2006 heeft het Uwv hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2002 alsnog gegrond verklaard en beslist dat de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van 5 december 1999 wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De Raad overweegt als volgt.

De beoordeling per 2 oktober 1995

De grief van appellant dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts P. Botman en de bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer onzorgvuldig en onvolledig is geweest, faalt.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 5 oktober 2001 heeft de verzekeringsarts Botman op 21 november 2001 het eerder ten aanzien van appellant opgestelde belastbaarheidspatroon gecorrigeerd. Op zijn beurt heeft de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer dit belastbaarheidspatroon op een aantal onderdelen aangepast. Uit zijn rapportage van 30 mei 2002 blijkt dat deze bezwaarverzekeringsarts daartoe eerst is overgegaan na dossieronderzoek en na onderzoek van appellant tijdens het spreekuur van 1 mei 2002. Hij beschikte daarbij ook over schriftelijke informatie van de verzekeringsarts Botman en de huisarts van appellant. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen grond is voor twijfel aan de door het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellant en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake.

Ook de grief van appellant dat hij op 2 oktober 1995 volledig arbeidsongeschikt is te achten, slaagt niet. Ter onderbouwing van die grief verwijst appellant naar het door hem overgelegde rapport van 27 augustus 2002 van de revalidatiearts dr. R.M. van Mechelen. De in dat rapport verwoorde kritiek spitst zich echter, zoals ook de rechtbank al heeft overwogen, toe op de beoordeling door de verzekeringsarts Botman en gaat in het geheel niet in op de gewijzigde visie van de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer. Reeds daarom kan de Raad aan dat rapport niet die betekenis toekennen die appellant daaraan kennelijk gehecht wil zien.

Tegen de arbeidskundige beoordeling van het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de datum 2 oktober 1995 zijn geen grieven aangevoerd. Uitgaande van het op

30 mei 2002 vastgestelde belastbaarheidspatroon is het de Raad niet gebleken dat appellant op 2 oktober 1995 niet in staat kon worden geacht tot het vervullen van de hem voorgehouden functies, hetgeen resulteert in een mate van arbeidsongeschiktheid van 41%, zodat het Uwv appellant terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.

De vijfdejaars herbeoordeling per 5 december 1999

Aangezien het Uwv bij het nieuwe besluit op bezwaar van 29 december 2006 niet (volledig) aan het door appellant ingestelde hoger beroep is tegemoet gekomen, moet ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, dat hoger beroep geacht worden mede te zijn gericht tegen dat nieuwe besluit en zal de Raad een oordeel geven over dat besluit. Gelet op het besluit van 29 december 2006 heeft appellant bij vernietiging van de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op de beoordeling per 5 december 1999, geen in rechte te beschermen belang meer, nu de door appellant in hoger beroep ingebrachte grieven alle ten volle aan de orde kunnen en zullen komen bij de beoordeling van dat besluit en appellant niet heeft gevraagd om schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Appellant zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

De Raad ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts Blok en de bezwaarverzekeringsarts De Brouwer, zoals neergelegd in hun rapportages van

8 april, respectievelijk 15 oktober en 28 november 2002. Door de verzekeringarts Blok is het dossier bestudeerd en de anamnese afgenomen. Appellant is ook lichamelijk onderzocht. Deze arts beschikte ook over schriftelijke informatie van appellants huisarts. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft appellant ter gelegenheid van de hoorzitting onderzocht doch zag geen aanleiding de door de verzekeringsarts aangegeven mogelijkheden te wijzigen, zo blijkt uit zijn uitvoerig gemotiveerde rapportage van

15 oktober 2002. De grief van appellant dat zijn long- en maagklachten ten onrechte niet zijn meegenomen, faalt. Met betrekking tot de longklachten heeft bezwaarverzekeringsarts De Brouwer gesteld dat deze buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat zij eerst vanaf medio 2000 bestaan en mild van aard zijn. Over de maagklachten heeft deze bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd dat deze de duurzame belastbaarheid van appellant niet beïnvloeden, daar ze van voorbijgaande aard zijn en met medicatie goed onder controle zijn.

Appellant heeft zijn stelling dat hij meer beperkt is dan aangenomen door de (bezwaar)verzekeringsartsen niet nader onderbouwd met gegevens van medische aard. Zoals eerder in deze uitspraak overwogen, kan het rapport d.d. 27 augustus 2002 van de revalidatiearts Van Mechelen niet als zodanig dienen.

De Raad acht voorts geen noodzaak aanwezig om, zoals appellant heeft verzocht, een deskundige in te schakelen teneinde hem te laten onderzoeken. De Raad acht zich namelijk voldoende voorgelicht over de gezondheidssituatie van appellant en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen ten tijde hier van belang.

Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de betrokken schatting overweegt de Raad dat de functies die blijkens het besluit van 29 december 2006 en de daaraan ten grondslag liggende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten d.d. 27 december 2006 aan de schatting ten grondslag liggen met volledige inachtneming van de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellant zijn geselecteerd, zodat moet worden aangenomen dat zij door appellant kunnen worden vervuld.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het besluit op bezwaar van 29 december 2006 in rechte stand houdt en dat het beroep dat daartegen moet worden geacht te zijn ingesteld, ongegrond moet worden verklaard.

Er bestaat aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de door appellant in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de kosten van het rapport van

Van Mechelen is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt tot een bedrag van € 895,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het oordeel over de datum 2 oktober 1995;

Verklaart het hoger beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de datum 5 december 1999 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van

29 december 2006 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.183,=, waarvan € 644,= te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 133,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

TM