Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
05/2424 ZW, 05/5589 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2424 ZW, 05/5589 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 8 maart 2005, 04/1193 en 29 juli 2005, 05/129 (hierna: aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2007. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt sinds 19 februari 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellant heeft zich met ingang van 2 oktober 2003, als verzekerde ingevolge zijn uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), ziek gemeld met psychische klachten. Appellant heeft op 22 maart 2004 het spreekuur van verzekeringsarts H. Jagt bezocht, die hem met ingang van 23 maart 2004 hersteld achtte. Bij besluit van

24 maart 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van

23 maart 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).

Het Uwv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 25 augustus 2004 (bestreden besluit 1) in zoverre gegrond verklaard dat de ZW-uitkering met ingang van 18 augustus 2004 beëindigd.

Op 20 september 2004 heeft appellant zich opnieuw vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW met psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding hiervan is hij op 28 september 2004 wederom gezien door verzekeringsarts Jagt, die hem met ingang van 29 september 2004 hersteld achtte. Verzekeringsarts Jagt achtte daarbij van belang dat deelname aan het arbeidsproces bevorderlijk was voor appellants herstel.

Bij besluit van 30 september 2004 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van

29 september 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld.

Bij besluit van 21 december 2004 (bestreden besluit 2) is het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft de beroepen tegen beide bestreden besluiten ongegrond verklaard, daarbij met name betekenis toekennend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en in ogenschouw nemend dat die in hun oordeelsvorming ook de bevindingen van de behandelend sector hebben betrokken.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid‘ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder

“zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van de door appellant in eerste aanleg opgeworpen, en door de rechtbank terecht verworpen grieven. Bovendien heeft appellant in hoger beroep geen medische informatie naar voren gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie. Op de door appellant overgelegde brieven van de psychotherapeut Albers van 26 juli en

24 november 2004, de psychiater L.M.H. van Molkot van 15 april 2004 en de huisarts

P. Heuts van 11 oktober 2004, heeft het Uwv gereageerd met rapportages van

14 december 2004 en 7 juli 2005 van de bezwaarverzekeringsarts P. Tjen. Deze is van mening dat uit het feit dat appellant depressieve klachten heeft, niet volgt dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Voorts acht de bezwaarverzekeringsarts het voor appellant van belang dat hij zich niet langdurig onttrekt aan het arbeidsproces. De Raad kan zich hiermee verenigen. De Raad is, gelet op de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, van oordeel dat appellant op de in geding zijnde data in staat was tot het verrichten van de lichte werkzaamheden, verbonden aan de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies, zodat appellant op en na de in geding zijnde data niet ongeschikt was voor zijn arbeid.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 april 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J. Verrips.

JL