Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05/6915 WWB, 06/165 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering over twee periodes. Overschrijding vermogensgrens? Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6915 WWB

06/165 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant) en [appellante]r (hierna: appellante), beiden wonende te Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 november 2005, 04/1903 en 05/56 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2006. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door

mr. el Ahmadi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.T. Aaldering, werkzaam bij de gemeente Ede. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Het College heeft vervolgens nadere stukken ingediend. Namens appellanten heeft mr. el Ahmadi desgevraagd hierop gereageerd.

Het onderzoek is hervat ter nadere zitting van 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. el Ahmadi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Aaldering.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellanten ontvingen sedert 17 april 2000 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 25 maart 2004 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van 17 april 2000 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat appellanten bij aanvang van de bijstand beschikten over een vermogen dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschreed, en dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellanten vanaf enig moment wel verkeerden in bijstandsbehoeftige omstandigheden.

Bij besluit van 29 maart 2004 heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 17 april 2000 tot en met 31 oktober 2003 tot een bedrag van € 53.790,26 van appellanten teruggevorderd.

Op 29 april 2004 hebben appellanten zich bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. De aanvraag is op 13 mei 2004 gedaan. In het kader van de afhandeling van de aanvraag heeft het College appellanten verzocht aanvullende gegevens te verstrekken over onder meer de besteding van het vermogen vanaf april 2000. Bij besluit van 22 juli 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond, voor zover hier van belang, dat nog steeds niet kan worden vastgesteld of recht op bijstand bestaat.

Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 25 en 29 maart 2004 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 4 augustus 2004 en 22 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot het besluit van 4 augustus 2004

De Raad stelt allereerst vast dat het College de intrekking van bijstand ingaande 17 april 2000 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode tot en met de datum van het primaire intrekkingbesluit. Dit betekent dat hier wat betreft de intrekking beoordeeld dient te worden de periode van 17 april 2000 tot en met 25 maart 2004.

Nu appellanten bij het indienen van de aanvraag om bijstand op 17 april 2000 het bestaan van twee op naam staande bankrekeningen hebben verzwegen en zij evenmin hebben gemeld dat zij tijdens de bijstandsverlening nog een andere bankrekening hebben geopend, hebben zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden.

Blijkens het door het College gemaakte overzicht lag het totale saldo van de op naam van appellanten staande bankrekeningen in de periode van 17 april 2000 tot 7 juli 2000, op welke datum een bedrag van f 20.000,-- is opgenomen van een bankrekening van appellanten, boven de voor hen geldende vermogensgrens. Van relevante schulden is niet gebleken. De Raad kan zich dan ook verenigen met het door het College ingenomen standpunt dat appellanten over deze periode geen recht hadden op bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens. Gebleken is dat in de periode na

7 juli 2000 nog diverse keren aanzienlijke bedragen zijn opgenomen van en gestort op de appellanten ter beschikking staande bankrekeningen. Op 19 april 2001 is f 15.000,-- opgenomen, op 5 juni 2001 f 5.775,-- gestort, op 25/28 januari 2002 in totaal € 10.437,-- gestort, op 31 januari 2002 € 10.437,-- opgenomen, op 4 juli 2003 € 10.000,-- opgenomen, op

29 augustus 2003 € 3.000,-- en in oktober 2003 in totaal € 6.298,-- opgenomen. Appellanten hebben weliswaar verklaringen afgelegd over de wijze waarop zij de opgenomen bedragen hebben besteed en over de herkomst van de gestorte gelden, maar zij hebben hun stellingen niet onderbouwd met verifieerbare en controleerbare gegevens. De Raad is dan ook van oordeel dat vanaf 7 juli 2000 onduidelijk is of en, zo ja, in hoeverre appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden. De gevolgen van deze onduidelijkheid dienen voor rekening van appellanten te blijven.

Nu de schending van de inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat vanaf 17 april 2000 tot 7 juli 2000 ten onrechte bijstand is verleend en dat over de periode van 7 juli 2000 tot en met 25 maart 2004 niet meer vastgesteld kan worden of en zo ja, in welke mate appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) de aan appellanten verleende bijstand in te trekken.

Het College voert het beleid dat in de gevallen, bedoeld in de artikelen 54, derde lid, van de WWB, in beginsel de bijstand wordt herzien of ingetrokken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand en dat van herziening of intrekking kan worden afgezien op grond van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt vast dat het College overeenkomstig het beleid heeft besloten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van het beleid (gedeeltelijk) van intrekking had moeten afzien.

Uit het vorenstaande volgt dat over de periode van 17 april tot en met 31 oktober 2003 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen.

Het College voert het beleid dat in de gevallen, bedoeld in de artikel 58 van de WWB, in beginsel wordt teruggevorderd, en dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien indien, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het terug te vorderen bedrag een bedrag van € 125,-- niet te boven gaat en indien de kosten van invordering hoger dreigen te worden dan de opbrengst. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid, althans voor zover het betreft de terugvordering van bijstand die het gevolg is van een herzienings- of intrekkingsbesluit op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt vast dat het College overeenkomstig het beleid heeft besloten. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van het beleid (gedeeltelijk) van terugvordering had moeten afzien.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2004 ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.

Met betrekking tot het besluit van 22 december 2004

De hier door de Raad te beoordelen periode omvat het tijdvak van 29 april 2004, de dag van melding bij het CWI, tot en met 22 juli 2004, de datum van het primaire besluit waarbij de aanvraag van 13 mei 2004 is afgewezen. De onzekerheid over de besteding van de in de jaren 2000 tot en met 2003 van de bankrekeningen van appellanten opgenomen bedragen is blijven bestaan. Van belang is echter ook dat een deel van de na 2000 opgenomen bedragen tijdens de bijstand ontvangen kinderbijslag betrof, uitgekeerd ten behoeve van de kinderen van appellanten, welke ingevolge artikel 43, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw, niet tot de middelen van appellanten worden gerekend. Vast staat voorts dat appellanten in genoemd tijdvak nog slechts over een zeer gering banksaldo bij de ABN-AMRO bank konden beschikken en dat hun banksaldo bij de Postbank negatief was. Daar komt bij dat appellanten na de bekendmaking van het besluit van 29 maart 2004 een schuld hadden aan het College van € 53.790,26 ten gevolge van de terugvordering van bijstand over de periode van 17 april 2000 tot en met 31 oktober 2003. Op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat appellanten in de hier aan de orde zijnde periode van 29 april 2004 tot en met 22 juli 2004 niet beschikten over in aanmerking te nemen vermogen.

Van in aanmerking te nemen inkomen in de hier van belang zijnde periode is evenmin gebleken. Een en ander betekent dat niet staande kan worden gehouden dat naar aanleiding van de aanvraag van 13 mei 2004 het recht op bijstand niet kan worden beoordeeld.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 22 december 2004 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en het College opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2004.

Het verzoek van appellanten om schadevergoeding - dat de Raad begrijpt als een verzoek om vergoeding van wettelijke rente - komt thans niet voor inwilliging in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College nodig is over de aanvraag om bijstand van 13 mei 2004. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te schenken aan de vraag of en zo ja in hoeverre er aanleiding is om renteschade te vergoeden.

Proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in het beroep met betrekking tot het besluit van 22 december 2004 en op € 966,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand. Voor een proceskostenveroordeling met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2004 bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2004 ongegrond is verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 22 december 2004 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 22 juli 2004 neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.610,--, te betalen door de gemeente Ede;

Bepaalt dat de gemeente Ede aan appellanten het in het beroep met betrekking tot het besluit van 22 december 2004 en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.