Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05-4392 NABW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD0376
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand van partner. Inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding?

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet, geldigheid: 2007-04-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4392 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 mei 2005, 04/1021 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.V. Brunings, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met dat in het geding met reg. nr. 05/4393 NABW, plaatsgevonden op 27 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen.

Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J. Snoeks, werkzaam bij de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant is van 9 november 1979 tot 25 januari 1988 gehuwd geweest met [M.] (hierna: [M.]).

Met ingang van 1 januari 1989 heeft het College aan [M.] bijstand toegekend, aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande woningdeler en vanaf 1 juli 1990 naar die voor een alleenstaande ouder.

Op basis van de resultaten van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan [M.] verleende bijstand, heeft het College zich op het standpunt gesteld dat [M.] met appellant in de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 2003 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Bij besluit van 22 oktober 2003 heeft het College de ten behoeve van [M.] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 augustus 2003 ten bedrage van € 64.647,38 (mede) van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 14 april 2004 heeft het College het tegen het besluit van 22 oktober 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 14 april 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) [tekst vanaf 31 december 1998] is bepaald dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [M.] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Abw heeft gevoerd.

In zijn uitspraak van heden met reg. nr. 05/4393 NABW, in het geding tussen [M.] (in die uitspraak aangeduid als appellante) en het College, heeft de Raad ter zake onder meer het volgende overwogen:

De gezamenlijke huishouding

“De Raad stelt voorop dat [A.] heeft betwist dat uit zijn relatie met appellante kinderen zijn geboren, terwijl hij evenmin een of meerdere kinderen van appellante heeft erkend. In aanmerking genomen dat het huwelijk tussen appellante en [A.] ten tijde van belang langer dan twee jaar geleden door echtscheiding was ontbonden, heeft de rechtbank, gezien de uitspraak van de Raad van 29 november 2005 (LJN AU7657), het besluit van 14 april 2004 ten onrechte getoetst aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en hun onderlinge relatie niet van belang.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dan in feite van samenwonen moet worden gesproken.

Naar het oordeel van de Raad doet die situatie zich in het geval van appellante en [A.] voor.

De Raad is op grond van de bevindingen, zoals weergegeven in de onderzoeksrapporten van de sociale recherche, van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [A.] vanaf in elk geval 1 januari 1999 en vervolgens gedurende het gehele hier aan de orde zijnde tijdvak beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellante aan de [adres 1] hebben gehad.

De Raad kent daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring die appellante in het kader van het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand tegenover de betrokken opsporingsambtenaren heeft afgelegd. De Raad ziet geen grond voor het standpunt van appellante dat zij niet aan deze verklaring mag worden gehouden. Niet is gebleken dat deze verklaring niet in vrijheid of onder toelaatbare druk is afgelegd. Appellante heeft haar verklaring, nadat zij deze had doorgelezen, per bladzijde ondertekend en daarbij geen enkel voorbehoud gemaakt. Voorts is die verklaring zeer uitgebreid en gedetailleerd zodat niet kan worden gezegd dat appellante op alle vragen die haar werden gesteld enkel met “ja” heeft geantwoord.

De Raad gaat dan ook uit van de juistheid van de door appellante op 24 september 2003 afgelegde verklaring, waarin zij heeft aangegeven dat [A.] vanaf het moment waarop zij de woning aan de Westhof 35 te Spaarndam kreeg, soms de hele week bij haar was maar soms een avond niet. Die verklaring spoort met de verrichte observaties waaruit naar voren komt dat de door [A.] gebruikte auto zeer frequent in de nabijheid van de woning van appellante is waargenomen, alsmede met de verklaringen van de buurtbewoners van appellante die hebben verklaard dat op de [adres 1] een man en een vrouw met (vier) kinderen wonen en van de buurtbewoners van het [adres 2], inhoudende dat op dat adres in feite niemand daadwerkelijk woont. Die verklaringen hebben in elk geval betrekking op de situatie op en na 1 januari 1999.

Voorts is naar het oordeel van de Raad ook voldaan aan het criterium van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Uit de verklaring van appellante blijkt dat [A.] gebruik maakt van alle faciliteiten in de woning aan de Westhoff zonder een daarop gerichte financiële bijdrage te betalen. Appellante doet in het weekeinde samen met [A.] de wekelijkse boodschappen en betaalt deze, verzorgt in het algemeen de huishouding, wast ook de kleding van [A.] en kookt.

[A.] doet boodschappen die appellante is vergeten, doet klusjes in huis, helpt de kinderen met hun huiswerk en bezoekt de ouderavonden. Voorts heeft [A.] volgens de verklaring van appellante de wasdroger, de DVD, de televisie, de video, twee computers voor de kinderen en een gedeelte van de wasautomaat betaalt.

Voorts zijn appellante en [A.] met de kinderen op vakantie geweest, waarbij [A.] de huur van de vakantiebungalow heeft betaald. Ook staat vast dat appellante en [A.] beiden hypotheek hebben verleend op de woning aan het [adres 2]. Gelet op deze feiten en omstandigheden voldoen appellante en [A.] ook aan het criterium van de wederzijdse zorg.”

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellant en [M.] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de Abw.

Dat wordt niet anders indien appellant op basis van enige registratie te boek zou staan als partner/echtgenoot van [Y.]. De Raad houdt het er op, gelet op de bevindingen bij het onderzoek door de sociale recherche, dat appellant dan duurzaam gescheiden leeft van [Y.]. De Raad tekent in dit verband aan dat de buren van het [adres 2] hebben verklaard dat de woning op dat adres feitelijk niet wordt bewoond.

Nu uit de gedingstukken tevens is gebleken dat de verlening van gezinsbijstand aan gehuwden - niettemin - achterwege is gebleven omdat [M.] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw. In dit verband wijst de Raad er nog op dat [M.], omdat zij ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding met appellant voerde, geen zelfstandig subject van bijstand was zodat haar geen bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toekwam. Overigens heeft de Raad in constante rechtspraak geoordeeld dat indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, het College op grond daarvan in beginsel gerechtigd is de gemaakte kosten van bijstand volledig terug te vorderen. Het is dan aan betrokkenen om feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat aan hen, als de verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren was nagekomen, over de betrokken periode (aanvullende) bijstand naar de norm van gehuwden zou zijn verstrekt. Gezien het feit dat appellant een voltijdse betrekking als onderwijzer heeft en daarnaast in deeltijd als schoonmaker werkzaam is, is appellant daarin niet geslaagd. Het College was, gezien het vorenstaande, gehouden de ten onrechte voor [M.] gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

In hetgeen overigens door appellant is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 april 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB2703