Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
06-2557 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Onvoldoende gegevens verstrekt om recht op uitkering te kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 190

Uitspraak

06/2557 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 17 maart 2006, 04/2247 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen onder de nummers 06/2256, 06/2258, 06/2559, 06/2560 en 06/2679, plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde gedingen weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Algemene bijstandswet. Bij besluit van 12 maart 2003 heeft het College de bijstand met ingang van 12 december 2002 ingetrokken op de grond dat appellant niet alle informatie heeft verstrekt die nodig is om het recht op bijstand of de voortzetting van de bijstand vast te kunnen stellen. Bij besluit van 15 juli 2003 heeft het College het besluit van 12 maart 2003 gehandhaafd. De rechtbank heeft het tegen het besluit van 15 juli 2003 ingestelde beroep bij uitspraak van 1 juni 2004 ongegrond verklaard. De Raad heeft die uitspraak bevestigd bij uitspraak van 26 juli 2005, LJN AU0664.

Nadien heeft appellant meerdere aanvragen om bijstand gedaan, die niet hebben geleid tot verlening van bijstand. Op

25 februari 2004 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellant diverse gegevens gevoegd. Bij brief van 31 maart 2004 heeft het College appellant verzocht nadere gegevens over te leggen. Omdat appellant volgens het College daaraan niet volledig had voldaan, heeft het College appellant uitgenodigd voor een gesprek bij de Dienst Werk, Zorg en Inkomen op 20 april 2004, waarbij appellant is verzocht schriftelijke en verifieerbare bewijsstukken mee te nemen waaruit blijkt hoe hij voorziet - en in de afgelopen periode heeft voorzien - in zijn levensonderhoud, en waaruit blijkt dat een Ford Ka met het kenteken [kenteken] door de moeder van appellant is gefinancierd.

Bij besluit van 3 mei 2004 heeft het College deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten. Daarbij heeft het College overwogen dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft overgelegd. Bij besluit op bezwaar van 29 juni 2004 heeft het College het besluit van

3 mei 2004 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 29 juni 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan de aanvraag niet te behandelen, indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is er onder meer sprake van een onvolledige en ongenoegzame aanvraag indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt die een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

De door het College verlangde bewijsstukken betreffen in de eerste plaats de wijze waarop appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Naar het oordeel van de Raad is uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam naar voren gekomen dat hieromtrent geen andere stukken voorhanden zijn dan die welke al door appellant zijn verstrekt. Van de zijde van het College kan ook niet worden aangegeven welke stukken, waarover appellant redelijkerwijs de beschikking zou kunnen krijgen, nog ontbreken. Het College heeft appellant de suggestie gedaan afschriften van de bankrekening(en) van zijn moeder over te leggen of ter inzage te geven, maar binnen het hier toepasselijke wettelijk kader kan dat van appellant niet worden verlangd, zodat appellant ook niet gehouden is daaraan zijn medewerking te verlenen.

Verder heeft het College bewijsstukken gevraagd verband houdende met de (financiering van de) Ford Ka. De Raad is van oordeel dat deze bewijsstukken niet kunnen worden beschouwd als gegevens of bescheiden die nodig waren om een goede beoordeling van de onderhavige aanvraag mogelijk te maken. De Ford Ka is in december 2001 aangeschaft en betaald. De Raad ziet onvoldoende grondslag voor het standpunt van het College dat de wijze van financiering van de Ford Ka in 2001 nog van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de aanvraag van appellant in de thans in geding zijnde periode. Voorts staat vast dat het kenteken van de Ford Ka sedert 24 oktober 2002 niet meer op naam van appellant stond, zodat deze auto vanaf die datum in beginsel niet meer tot het vermogen van appellant diende te worden gerekend. Voor zover het College zich op het standpunt stelt dat de auto niettemin tot het vermogen van appellant diende te worden gerekend omdat hij degene was die feitelijk over de auto beschikte, overweegt de Raad dat het niet nodig was dat appellant gegevens over de waarde van de auto zou overleggen. Het College kon de waarde van de auto immers zelf bepalen, bijvoorbeeld aan de hand van de ANWB-koerslijst.

Niet in geschil is dat de overige door het College in het kader van de aanvraag bij appellant opgevraagde gegevens zijn verstrekt.

Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het College niet bevoegd was de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet te behandelen. Het College had dan ook behoren over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van

29 juni 2004 vernietigen wegens strijd met de wet.

De Raad ziet vervolgens aanleiding, met het oog op een finale beslechting van het geschil, zelf in de zaak te voorzien. Daarbij betrekt de Raad dat de gemachtigde van het College ter zitting heeft aangegeven dat het wellicht juister was geweest dat tot inhoudelijke besluitvorming was overgegaan, hetgeen dan volgens deze gemachtigde tot een afwijzing van de aanvraag zou hebben geleid.

Met verwijzing naar het gestelde onder de kop ”Besluit III” van de eerder genoemde uitspraak van de Raad van 26 juli 2005, overweegt de Raad dat appellant ook in het kader van de onderhavige aanvraag, waaronder mede begrepen hetgeen appellant daaromtrent in de loop van de bezwaar- en beroepsprocedures naar voren heeft gebracht, geen afdoende antwoord heeft gegeven op de vraag hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud en in zijn vaste lasten heeft (kunnen) voorzien.Verifieerbare gegevens over de aankoop van levensmiddelen en over de aankoop van andere (dagelijkse) gebruiksgoederen ontbreken. De stelling van appellant dat anderen hem van het nodige hebben voorzien is op geen enkele wijze onderbouwd. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van belang waren voor de vaststelling van het recht op bijstand vanaf de aanvraagdatum. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding niet worden vastgesteld. Daarin is de grond gelegen voor afwijzing van de aanvraag van appellant van 25 februari 2004.

Appellant heeft nog aangevoerd dat hem met ingang van 29 juni 2004 wel bijstand is verleend, terwijl er naar zijn zeggen in wezen geen sprake was van een veranderde situatie. Dat brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het College heeft toereikend gemotiveerd waarom met ingang van 29 juni 2004 wel tot bijstandsverlening is overgegaan, waarbij het College heeft betrokken de nader door appellant overgelegde gegevens - waaronder financiële gegevens betreffende zijn moeder - en de bevindingen van een bij appellant afgelegd huisbezoek.

Naar het oordeel van de Raad komt aan het door appellant in hoger beroep overgelegde arbeidsgeschiktheidsrapport van 20 april 2006 voor de beoordeling van de onderhavige aanvraag niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien. Met name kan daaruit niet worden afgeleid dat het appellant niet kan worden verweten dat hij geen opheldering heeft verschaft over de wijze waarop hij in de periode voorafgaand aan de onderhavige aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien.

Gelet op het voorgaande zal de Raad het besluit van 3 mei 2004 tot het buiten behandeling laten van de aanvraag van

25 februari 2004 herroepen, en daarvoor in de plaats stellen een afwijzing van deze aanvraag.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep ten bedrage van € 988,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 juni 2004;

Herroept het besluit van 3 mei 2004;

Wijst de aanvraag van 25 februari 2004 af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 988,--, te betalen door de gemeente Eindhoven aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter, en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.