Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05-2604 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zorgvuldigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2604 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 25 maart 2005, 04/383 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, in hoger beroep gekomen. Daarbij is verwezen naar een bijgevoegde verklaring van de behandelende huisarts I.W. Samba.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Bij schrijven van 8 november 2005 heeft het Uwv de Raad een arbeidskundige rapportage in bezwaar, met bijlagen, in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker, voornoemd, en het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die laatstelijk werkzaam was als magazijnmedewerker voor 40 uur per week, is op 19 maart 2001 uitgevallen in verband met nek-, schouder- en armklachten na een discopathie C6 - C7 met een ernstige versmalling van de tussenwervelruimte en een forse reactieve spondylofyt vorming. Appellant werd in verband met deze klachten duurzaam belastbaar geacht voor nek-, schouder- en armbesparende arbeid. Het Uwv heeft na ommekomst van de wachttijd, op 18 maart 2002, geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat hij, na functieduiding, minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Appellant heeft zich in verband met persisterende en geleidelijk erger wordende schouder- en nekklachten op 10 augustus 2002 ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet.

In zijn rapportage van 2 juni 2003 oordeelde verzekeringsarts E. Buijs na eigen onderzoek, dossieronderzoek en kennisneming van een op 3 februari 2003 gedateerde verklaring van de behandelende fysiotherapeut Van Assen dat de onderzoeksbevindingen niet relevant afwijkend waren ten opzichte van het eerdere onderzoek van 14 maart 2002 (einde wachttijd), maar dat het eigen beleefde onvermogen als relatief fors imponeert. Appellant werd belastbaar geacht overeenkomstig de eerder per einde wachttijd opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige

R. Beudeker heeft de eerder bij einde wachttijd geduide functies onverminderd passend geacht.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 18 augustus 2003 (hierna: het primair besluit) medegedeeld dat hij per 11 augustus 2003 geen recht heeft op een WAO-uitkering.

Appellant heeft in bezwaar onder overlegging van de uitslag van een op 26 augustus 2003 verrichte “sEMG-scan” door chiropractor G. Potgieter de juistheid van het primair besluit betwist.

Bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels oordeelde in haar rapportage van 9 maart 2004 op grond van dossieronderzoek dat zij geen aanleiding zag om de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid voor onjuist te houden. De bezwaarverzekeringsarts overwoog hiertoe dat bij het vaststellen van de belastbaarheid ook met de hypertonie van de lange rugspieren, waarvan het bestaan in het sEMG onderzoek werd bevestigd, rekening is gehouden. Van Thillo-Nadels heeft gezien de anamnese, de dagactiviteiten van appellant en de onderzoeksbevindingen verder geen reden gezien om te menen dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben. Zij oordeelde tot slot dat er sprake was van interne consistentie ten aanzien van de door appellant geclaimde beperkingen, handicaps en klachten en stoornissen, maar er slechts sprake was van een gedeeltelijke externe consistentie.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit op bezwaar van 18 maart 2004 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geen aanleiding gezien om aan de juistheid van het oordeel van het Uwv te twijfelen nu haar niet gebleken is dat deze op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen dan wel inhoudelijk niet concludent is.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen informatie heeft opgevraagd bij de curatieve sector, terwijl daartoe zijns inziens wel aanleiding bestond. Het medisch onderzoek is daardoor onzorgvuldig te achten en het bestreden besluit ontbeert daardoor een voldoende motivering. Appellant heeft in hoger beroep nog een verklaring ingebracht van zijn behandelend huisarts I.W. Samba van 21 april 2005.

De bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan heeft in hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd geen reden gezien om aan te nemen dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Kleinjan heeft daartoe aangevoerd dat appellant blijkens het vragenformulier Medische informatie WAO naast de huisarts geen andere medicus consulteerde en de door appellant overgelegde medische informatie door de verzekeringsartsen bij hun beoordelingen is betrokken. Kleinjan heeft voorts geoordeeld dat uit de brief van de huisarts geen nieuwe medisch objectiveerbare feiten naar voren gekomen waren die niet reeds waren meegewogen in het oordeel.

Het Uwv heeft de Raad bij schrijven van 8 november 2005 bericht dat de arbeidskundige grondslag van het primair besluit van 18 augustus 2003 onvolledig is geweest en deze tekortkoming in de bezwaarschriftenprocedure ten onrechte niet is hersteld. In hoger beroep is door bezwaararbeidsdeskundige R. Speur in zijn rapportage van 8 november 2005 alsnog een arbeidskundige heroverweging gedaan. Speur concludeerde na functieduiding dat er een verlies aan verdiencapaciteit resteerde van 0,1% en er geen aanleiding was de in het primaire proces uitgevoerde schatting te herzien.

De Raad overweegt als volgt.

Wat de medische grondslag van het bestreden besluit betreft ziet de Raad in het hoger beroep van appellant geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven.

De Raad overweegt hiertoe dat de verzekeringsarts Buijs de beperkingen van appellant heeft vastgesteld op grond van eigen onderzoek en informatie van de behandelende fysiotherapeut Van Assen. De belastbaarheid van appellant bleek niet relevant afwijkend ten opzichte van hetgeen was overwogen in de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 14 maart 2002 en ook uit de informatie van de fysiotherapeut bleek niet van relevante meetbare veranderingen. In een dergelijk geval, waarin van het inwinnen van verdere informatie over de medische toestand van appellant geen meerwaarde te verwachten is, is raadpleging van de behandelende sector naar het oordeel van de Raad niet vereist.

De Raad merkt op dat ook bezwaarverzekeringsarts Van Thillo-Nadels van oordeel was dat uit de dossierstukken en de in bezwaar overgelegde “sEMG-scan” een zodanig duidelijk beeld van de belastbaarheid van appellant gevormd kon worden, dat het oproepen van appellant voor verzekeringsgeneeskundig onderzoek geen zin had. Deze handelwijze komt de Raad niet onjuist of onzorgvuldig voor. De Raad is ook uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van de behandelende huisarts Samba van 21 april 2005 niet gebleken dat appellant meer, dan wel anderszins beperkt is te achten. In deze verklaring wordt immers niet meer gezegd dan dat appellant vanaf 2001 last heeft van hevige pijn in de rug en op een X-CWK van 15 mei 2002 een versmalde discus C6-C1 met spondylotische haakvorming geconstateerd werd en fysiotherapie en chiropraxie niet mochten baten. De Raad is met bezwaarverzekeringsarts Kleinjan van oordeel dat deze informatie reeds bekend was in het dossier.

Nu naar het oordeel van de Raad ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het verhandelde ter zitting geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.

(get) K.J.S. Spaas.

(get) C.D.A. Bos.