Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
04-5733 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding van diverse schadeposten geweigerd..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/5733 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 augustus 2004, nr. 04/562 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 13 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 22 juni 2000 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 23 augustus 2000 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %. Bij besluit van 6 december 2000 heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 22 juni 2000 ongegrond verklaard. Bij besluit van 19 december 2001 heeft het Uwv bepaald dat appellants uitkering met ingang van 1 januari 2002 niet meer wordt uitbetaald. Bij uitspraak van 21 maart 2002, nr. SBR 01/110, heeft de rechtbank Utrecht het beroep van appellant tegen het besluit van 6 december 2000 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het primaire besluit van 22 juni 2000 herroepen. Bij uitspraak van eveneens 21 maart 2002, nr. SBR 02/256 VV, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht het besluit van 19 december 2001 geschorst.

Na deze gewonnen beroepszaak heeft appellant het Uwv meermaals verzocht om vergoeding van diverse schadeposten, laatstelijk bij schrijven van 4 juli 2003.

Bij besluit van 15 september 2003 heeft het Uwv een beslissing genomen op dit verzoek.

Bij besluit van 23 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van

15 september 2003 deels gegrond, deels ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit deels niet-ontvankelijk, deels gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij beroepschrift van 15 oktober 2004 een achttal grieven aangevoerd die de Raad achtereenvolgens zal bespreken.

01. Telefoonkosten

De rechtbank heeft het beroep op dit punt verworpen, was van oordeel dat appellant niet gespecificeerd aannemelijk heeft gemaakt dat en tot welk bedrag hij in de bezwaar- en beroepsprocedure telefoonkosten heeft gemaakt. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij een alleszins redelijke schatting van zijn telefoonkosten heeft gemaakt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Appellant heeft zijn claim niet genoegzaam gespecificeerd.

02. Rechtsbijstand in beroep en voorlopige voorziening

De rechtbank heeft geoordeeld dat er thans geen plaats is voor vergoeding van kosten van rechtsbijstand in de beroepsprocedure nr. SBR 01/110 en de voorlopige voorzieningsprocedure nr. SBR 02/256 VV.

De Raad acht dit oordeel juist. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een exclusieve regeling voor de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de beroeps- en de voorlopige voorzieningsprocedure bevat. Een zuiver schadebesluit over dit onderwerp behoort niet tot de mogelijkheden.

03. Sollicitatiekosten

De rechtbank heeft geoordeeld dat de gestelde schade, bestaande uit sollicitatiekosten, in te ver verwijderd verband staat tot de onrechtmatige WAO-besluiten.

De Raad onderschrijft dit oordeel en verenigt zich met de gronden waarop de rechtbank haar oordeel heeft doen steunen.

04. Immateriële schadevergoeding in verband met onzekerheid over al dan niet ziekenfondsverzekerd zijn

De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van de persoon van appellant in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

De Raad onderschrijft ook dit oordeel van de rechtbank op de door de rechtbank gebezigde gronden.

05. Immateriële schade in het kader van het herstel- en reïntegratietraject

De rechtbank acht niet te zijn voldaan aan de criteria van artikel 6:106 BW.

De Raad sluit zich volledig aan bij hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en beslist.

06. Kosten bezoek psychiater, pro rata onbenut deel identiteitskaarten kinderen, reiskosten praktische oriëntatie

Wegens gering belang c.q. uit efficiencyoverwegingen heeft appellant deze kostenposten expliciet buiten het hoger beroep gehouden, zodat de Raad hierover niet heeft te oordelen.

07. Onzorgvuldig medisch onderzoek

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de jurisprudentie inzake zorgvuldig medisch onderzoek.

Deze grief ziet naar het oordeel van de Raad op de beoordeling van het onderliggende WAO-besluit. De onrechtmatigheid van dat besluit is echter in het kader van de onderhavige procedure een vaststaand gegeven. In deze procedure is geen plaats voor het opnieuw beantwoorden van de vraag op welke grond(en) het WAO-besluit onrechtmatig is.

08. Geen uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken; geschonden vertrouwen

Appellant heeft zich erover beklaagd dat het Uwv nalatig is gebleven uitvoering te geven aan de aangevallen uitspraak gelijk het Uwv indertijd ook al nalatig is geweest bij het uitvoeren van de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2002. Appellant benadrukt dat hij erop mag vertrouwen dat een uitvoeringsorgaan van de sociale zekerheid zijn wettelijke taak correct zal uitvoeren. Dit vertrouwen is ernstig geschokt.

Deze op zichzelf zeer ernstige klacht, waarop de gemachtigde van het Uwv ter zitting geen weerwoord had, valt echter buiten de omvang van het geding. Ter toetsing staat enkel de aangevallen uitspraak als zodanig; hoe die uitspraak vervolgens wordt nageleefd valt buiten het beoordelingskader van de onderhavige procedure.

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft. Derhalve komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 april 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.