Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA3812

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
05-2323 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Medisch onderzoek voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2323 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2005, 03/4861 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 april 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Namens appellant is mr. Blom verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij met ingang van 9 juni 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij toen niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid werd geacht. Bij besluit van 12 september 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 mei 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat zij in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv van een onjuist medisch onderzoek zou zijn uitgegaan. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant naar aanleiding van zijn ziekmelding per 6 januari 2003 meerdere malen door een verzekeringsarts is onderzocht. De rechtbank heeft, gelet op de onderzoeken van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant per 9 juni 2003 in staat moet worden geacht zijn laatst verrichte arbeid als CAD-tekenaar te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op de brief van 25 november 2004 van de psycholoog M.J.H. Smit en de psychiater R.W. Holleboom, waaruit blijkt dat appellant is gestart met een kortdurende gesprekstherapie wegens een depressieve stoornis NAO, en op de brieven van de behandelend orthopedisch chirurg dr. S.J. Ham van 22 januari, 18 maart, 2 juli en 15 november 2004.

Appellant heeft in hoger beroep tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn beperkingen op het psychische vlak zijn onderschat. Ondanks dat hij over zijn psychische problemen in de bezwaarfase uit schaamte niet heeft gesproken, waren die problemen ten tijde van het bestreden besluit wel in aanzienlijke mate aanwezig. De daaruit voortvloeiende beperkingen beperkten de inzetbaarheid van appellant in arbeid. Nu deze beperkingen in de beoordeling niet of onvoldoende zijn meegewogen, berust het primaire besluit inhoudelijk op een onjuiste grondslag. Dat dit wellicht niet is te wijten aan onzorgvuldigheid van de kant van de primaire verzekeringsarts doet daaraan volgens appellant niet af. Hij is van mening dat de informatie over zijn psychische gesteldheid voor de rechtbank aanleiding had moeten zijn om dit aspect verder te laten onderzoeken door een deskundige, te weten een psycholoog of psychiater. Ter zitting heeft appellant voorts nog gewezen op de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte lichamelijke klachten.

De Raad overweegt dat appellant ook in hoger beroep zijn stellingen niet met medische gegevens heeft weten te onderbouwen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt. In de rapportages van die onderzoeken, in hun samenhang bezien, is naar het oordeel van de Raad adequaat gemotiveerd waarom appellant per 9 juni 2003 niet meer ongeschikt was voor zijn laatst verrichte werk van CAD-tekenaar. In de beoordeling zijn zowel de lichamelijke als de psychische klachten van appellant betrokken. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de brieven van de orthopedisch chirurg geen nieuwe medische feiten bevatten en dat eerdergenoemde brief van 25 november 2004 geen nieuw licht werpt op de psychische gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding, 9 juni 2003. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Raad voor de brief van de psychiater J.V.M. Marhold van 22 februari 2007 bij wie appellant in december 2006 in behandeling is gekomen. De visie van deze psychiater dat appellant medio 2003 niet in staat was om aan een regulier werkproces deel te nemen, berust blijkens die brief op anamnestische gegevens en wordt niet ondersteund door objectieve bevindingen. De Raad acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen grond een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J.J. Janssen.